Ster zijn in je eigen film

Het was na middernacht, ergens tussen Toronto en Los Angeles, toen een halfbezopen Peter Fonda het idee kreeg voor de film die het icoon zou worden van de onafhankelijke Amerikaanse film in de jaren zeventig. ``Ik keek naar een foto uit The Wild Angels (een biker-film uit 1966 van de koning van de B-film, Roger Corman) van mij en Bruce Dern op een motorfiets. Plotseling dacht ik: dat is het, de moderne western! Twee kerels die dwars door het land rijden. Misschien slaan ze eerst ergens een grote slag, dus hebben ze een hoop geld. Ze willen in Florida van een vervroegd pensioen gaan genieten. Tot een stelletje opdringerige types ze berooft omdat hun uiterlijk ze niet bevalt.' Aldus Fonda in een interview met Playboy, waarin hij de ontstaansgeschiedenis memoreert van een van de belangrijkste films uit wat wel `het laatste gouden tijdperk van Hollywood' wordt genoemd: Easy Rider (1969).

De anekdote vormt het vertrekpunt van Peter Biskinds Easy Riders, Raging Bulls, een filmgeschiedenis van de jaren zeventig die heen en weer swingt tussen gonzo-journalistiek, rock-'n'-roll proza, boulevardblad-gebabbel en door reeksen noten verantwoorde objectieve observaties. Filmjournalist Biskind publiceerde onder meer in The New York Times, The Washington Post en Rolling Stone. Hij was hoofdredacteur van American Film en redacteur van Premiere en schreef eerder The Godfather Companion en Seeing is Believing: How Hollywood Taught us to Stop Worrying and Love the Fifties. Zijn taalgebruik puilt uit van de insidergrapjes en woordspelige verwijzingen. De hoofdstukken in Easy Riders hebben titels als `Sympathy for the Devil' (over de productie van The Exorcist), `The Gospel According to St. Martin' (waarin de start van Martin Scorsese's glansrijke carrière is beschreven) en `Star Bucks' (dat laat zien hoe het succes van George Lucas' Star Wars definitief een einde maakte aan het oude Hollywood). Ze worden ingeleid door stripboek-achtige samenvattingen (`Hoe Coppola ten slotte Zoetropa failliet liet gaan, terwijl The Two Jakes de oude kliek uiteen liet vallen'), motto's, teasers en citaten die er als journalistieke amuse gueules voor moeten zorgen dat je maar één ding wilt: erbij zijn geweest. En dat wil je.

Easy Riders leest als een ritje op de Harley waaraan het zijn naam ontleent, vol vaart en dynamiek, als een goed geconstrueerde roman. Misschien is het dat ook wel. Want van de honderden interviews die Biskind verzamelde en de evenzovele gesprekken die hij voerde met coryfeeën als Martin Scorsese, Steven Spielberg, Warren Beatty, Robert Altman, Dennis Hopper, Peter Fonda en Francis Ford Coppola is nauwelijks meer te achterhalen in welke context iets nu eigenlijk is gezegd. Peter Biskind heeft vooral zijn eigen geschiedenis van de jaren zeventig gemonteerd en hij doet dat zo overtuigend dat je hem wel wilt geloven. Van die eerste dronkemansinval van Peter Fonda, die nog dezelfde nacht Dennis Hopper opbelde (``Wow, dat is een geweldig verhaal. Wat ga je ermee doen?' `Nou ik dacht dat jij het gaat regisseren, ik produceer het, we schrijven het samen en spelen zelf de hoofdrollen. Dat scheelt in het budget.') tot het nieuwe elan van een generatie regisseurs die aan de periferie van het studiosysteem werkte aan een eigen en herkenbaar oeuvre.

Tot eind jaren zestig werd de Amerikaanse filmindustrie gedomineerd door een handjevol hoogbejaarde studiobazen, even oud als het medium zelf. Ze hadden regisseurs, schrijvers en sterren in dienst, en hadden de zeggenschap over het resultaat van hun inspanningen. Zelfs toonaangevende regisseurs als Howard Hawks, John Ford en John Huston beschouwden zichzelf als ingehuurde krachten, hoewel latere, onafhankelijke filmmakers in hun werk wel degelijk een persoonlijke stem konden herkennen. Uit eerbetoon aan deze regisseurs noemden de filmmakers zichzelf `mavericks', naar het ongebrandmerkte kalf dat rondliep in de vele westerns die hun voorgangers hadden geregisseerd.

Onder invloed van de `auteurstheorie' die in Europa in de jaren zestig werd geformuleerd (een filmmaker zou naar analogie met de literator de schepper zijn van een `oeuvre') beschouwde die generatie filmmakers zichzelf als zelfstandig kunstenaar. Het was de generatie van Coppola, Beatty, Hopper, Altman, maar ook van Stanley Kubrick en Woody Allen, evenals de movie brats (de eerste generatie die een filmopleiding had bezocht) als Scorsese, Spielberg, Lucas en Brian De Palma. Ze gingen hun eigen films schrijven, regisseren, vaak ook spelen en, voor een vaak bescheiden budget, produceren. Voor het eerst stond de naam van de filmmaker voorop en niet langer die van de ster. Geen wonder dat deze generatie ook z'n eigen acteurs voortbracht: Robert De Niro, Jack Nicholson, Al Pacino, Harvey Keitel, Jane Fonda, Faye Dunaway en Diane Keaton deden in niets meer denken aan de glamoursterren van voorheen. Rauw en realistisch, vaak behorend tot de tweede generatie `method actors' gaven zij gestalte aan personages uit de onderbuik van het bestaan. Anti-establishment thema's als geweld en corruptie, existentiële vragen en een bevrijdende losbandigheid zetten de toon.

Biskind laat zijn hoofdpersonen getuigen van hun enthousiasme en tomeloze energie, maar ook van hun ruzies, vetes en vechtpartijen, hun in de nadagen van hippie en flower power buitenproportionele drugsgebruik en seksuele escapades. En passant geeft hij een gedetailleerde genealogie van enkele van de mooiste films die er zijn gemaakt. Easy Riders doet in niets onder voor welk klassiek heldenepos ook, met zijn vragen naar macht en waardigheid, het appèl dat de protagonisten doen op de eeuwigheid, hun weelde en grootheidswaan en de pijnlijke exercitie van hun opkomst en val.

Er wordt wel eens chique de neus opgehaald voor die verborgen geschiedenis van Hollywood. Het zou het werk zijn wat er toe doet, en niet de vraag wie er definitief tot het Hollywood-pantheon was doorgedrongen en wie nog draalde in de voorportalen. Maar wat Biskind aanstekelijk, humoristisch en vilein laat zien, is dat die hele machinerie van de roem met dezelfde inzet het nieuwe Hollywood opbouwde als weer afbrak. Hij maakt een trits bewonderde filmmakers tot helden en dan weer tot gewone mensen, zonder ze al te onbarmhartig te onttoveren. Hun invloed laat zich immers vandaag de dag nog gelden, hoezeer ze inmiddels verbitterd zijn geraakt, uitgerangeerd of opgebrand.

Zijn verklaring voor het einde van dit roemruchte decennium is wat mager. Biskind sluit zich aan bij regisseur William Friedkin (The French Connection, The Exorcist) die stelt dat film in Amerika een `young man's game' is. ``Toen ik mijn eerste films maakte wist ik precies wat ik wilde zien en dat was precies wat de meeste mensen wilden zien. Om eerlijk te zijn weet ik dat nu niet meer.' En verder werden de uit de hand groeiende budgetten, de megalomane producties en wat algehele malaise de filmmakers fataal. Ongeveer zoals in de nadagen van elk tijdperk dus.

Biskind is er weemoedig over hoe de heroïek van seks-en-drugs- en rock-'n'-roll-films opleverde als The Godfather, Apocalypse Now, Star Wars, Mean Streets en Taxi Driver. Vol heimwee omdat het de jaren van zijn eigen volwassenwording betreft, verdrietig omdat het drugsgebruik van de jaren zeventig de decadentie van de jaren tachtig voorafschaduwde en omdat het met de mavericks van toen nooit meer helemaal goed is gekomen. Ook de cinefiel van nu kijkt nog uit naar de nieuwe Altman of Scorsese, en moet dan telkens weer moeite doen om te onderkennen dat die hun reputatie van onafhankelijk, gedurfd cineast opnieuw niet waarmaken. Ze zijn oprecht geschokt als Kubrick overlijdt en verbazen zich erover dat eigenlijk alleen Steven Spielberg erin is geslaagd om juist met grote publieksfilms de jaren tachtig en negentig te overleven. Het is een soort nostalgie die na vijfhonderd bladzijden wat beklemmend aandoet. De filmmakers van `The New Hollywood' mogen dan niet allemaal dat roerige decennium tussen 1969 en 1980 hebben overleefd, hun erfenis doet zich wel degelijk gelden. In de manier waarop special effects een eigen filmidioom zijn geworden, in de andersoortige filmverhalen die Hollywood vertelt en vooral in de opvatting dat niet alle blockbusters per se slecht zijn. En misschien, heel misschien is er daardoor aan de vooravond van het digitale tijdperk in Hollywood wel weer iets even spannends aan de hand.

Peter Biskind: Easy Riders, Raging Bulls. How the Sex-Drugs-and-Rock 'n' Roll Generation Saved Hollywood. Simon & Schuster, 506 blz. ƒ61,95