Schrijvers onder elkaar

LONDEN/NEW YORK Ik heb Nooteboom gemist in Londen. Maar de aanwezigheid van Margriet de Moor maakte veel goed. Zij vertelde dat zij 's ochtends nooit doucht en maar één keer per week haar haren wast. Vaker wassen zou schadelijk zijn voor het haar. Connie Palmen kneep in mijn hand en zei dat ik een smachtende blik in mijn ogen had. Maar het was volgens haar geen seksueel smachten. Want dat hebben alle mannen. Het was een ander soort smachten. Zij kende dat smachten heel goed. Helaas heb ik haar niet kunnen vragen wat dat dan voor smachten was, want tussendoor moesten we ook nog voorlezen. Daarvoor waren we tenslotte in Londen. Schrijvers onder elkaar zijn net vertegenwoordigers die obscure geschriften aan de man brengen. Huis aan huis, deur aan deur. Zoals vertegenwoordigers van stofzuigers op een maandagmorgen in de lobby van een ranzig hotel zitten om Oosterhout of Rijswijk te veroveren, zo zaten wij in een ranzig hotel in Londen om Londen te veroveren. Poep van voorgangers kleefde aan mijn toilet, maar ik heb er niet over geklaagd, want zo ben ik niet. Ik heb negen wc-borstels gekocht, die in mijn badkamer geïnstalleerd en vervolgens met wc-papier de badkamer versierd, opdat ik tenminste op het kamermeisje van het Rusellhotel een onvergetelijke indruk zou maken. Helaas heb ik gemerkt dat elegante decadentie maar aan weinigen besteed is. Eén op de tienduizend, misschien nog minder. Het mag vooral niets kosten, leven. Vele uitgebluste vertegenwoordigers heb ik leren kennen in mijn jeugd, toen ik mij dienstbaar maakte voor een adressenboekuitgeverij.

Ik schonk koffie in en de vertegenwoordigers spraken over Rijswijk, Amstelveen en het Westland, zoals de schrijvers in Londen spraken over Frankfurt, Barcelona en Götenborg. Uitgeblust, maar hoopvol. Daarom miste ik Nooteboom zo, die vecht tenminste voor zijn werk als een tijger. Die betreedt het podium alsof de mensen al weken op hem gewacht hebben, alsof de mensen in slaapzakken langs de kant van de weg hebben gelegen om hem even te kunnen zien en hem misschien zelfs aan te kunnen raken. Zonder werkelijke concurrentie is hij de grootste vertegenwoordiger die wij hebben. En ik zeg wij, want een stukje uit deze krant werd besproken, daar aan tafel, terwijl wij erop wachtten voor te dragen uit eigen werk. Het was blijkbaar een negatief stukje, want iemand zei, `ze halen ons weer naar beneden, dat had ik eigenlijk van de Volkskrant verwacht.' Ons. Die Halbstarken, de geselecteerden, de vertegenwoordigers, maar van wat? Hans van Mierlo was vergeten dat hij mij vier jaar geleden al in New York de hand had geschud en sprak precies dezelfde zin uit als toen: 'Ik heb je werk nooit gelezen, maar wat lijk je op Woody Allen, dus misschien moet ik dat maar eens gaan doen.'

En ik zei, net als toen, `ach ja, doet u dat'. En weer miste ik Nooteboom, die terwijl het sap van verse oesters nog langs zijn kin druipt buitenlandse journalisten in vijf, soms zelfs zes verschillende talen overtuigt van de klassieke status van zijn werk.

Nog niet dood, maar nu al onsterfelijk, dat is waarnaar wij allen haken, maar slechts enkelen is het gegeven de bonbon der onsterfelijkheid te verorberen. En het likeurtje dat in die bonbon zit is een humanistisch likeurtje, verdomd humanistisch.

Men ziet graag dat grote schrijvers strijden voor de goede zaak. Alleen een paar dode grote schrijvers hebben mogen strijden voor de foute zaak en de meerderheid die strijdt voor een geheime bankrekening dient daarover te zwijgen, vooral omwille van die bankrekening.

Adriaan van Dis zei, `onderzoek heeft uitgewezen dat er wel twintig verschillende soorten urine kleven aan nootjes in hotelbars, maar ik eet ze toch, ik ben een zenuwachtig mens.'

We hebben elkaars urine gegeten en gedronken daar in Londen.

Ook grote schrijvers hebben zaad in hun ballen dat naar buiten wil. Hugo Claus las een gedicht voor.

Vers zaad, nog dampend, en veel, een espressokopje vol, met spiertjes langs de lepel. En zo hoort het ook. Na de dood, schijnt, komt er geen zaad meer naar buiten, hooguit wurmen en ander ongedierte dat zich niet bestrijden laat. Dus waarom wachten, waarom uitstellen, waarom gaan slapen als één kopje vol is?

Waarom één wc-borstel, als negen ook betaalbaar zijn?

Ik weet het nu zeker, de bonbon der onsterfelijkheid is een Belgisch schoteltje. En onder dat bonbonnetje ligt de rekening.

Ik keek naar Adriaan van Dis en dacht: seks is een vluchtroute die langs de baarmoeder voert. Aan elke vluchtroute komt een einde, en ik geloof dat de mijne geëindigd was. Een paar dagen voor mijn aankomst in Londen.

Toen ik vroeg in de ochtend terugkeerde in New York van mijn reis naar Zuid-Afrika trof ik in mijn keuken een kerel aan. Wel twee meter lang. Hij was koffie aan het zetten. En floot.

,,Ik ben Hans'', zei hij. Hij praatte dus Nederlands, dat ook nog.

Ik rende naar de slaapkamer. Ze lag nog in bed. Ik zei: ,,Wat doet die kerel in mijn keuken?''

Ze zei: ,,Jij doet toch hetzelfde.''

,,Niet in mijn keuken'', riep ik, ,,in hotels, duizenden kilometers verderop, niet in mijn keuken, die kerel moet weg.''

Ik was doodop van de reis, maar een vreemde kerel in je keuken zorgt ervoor dat moeheid snel verdwijnt.

,,Hij blijft hier maar een paar weken'', zei ze, ,,hij is een begaafd natuurkundige. Je hoeft niet op grond te slapen, ik heb een ligbank voor je gekocht.''

Ik ging terug naar de woonkamer en trof in de hoek, niet ver van de kapstok inderdaad een splinternieuwe ligbank aan. Het plastic zat er nog omheen. Ik sleepte de ligbank zo goed en zo kwaad als het ging naar de voordeur.

,,Je hebt het er zelf naar gemaakt'', zei ze.

Ik probeerde de ligbank de deur uit te werken, maar dat ging moeilijk.

,,Maar ik ben uitgeweken'', riep ik, ,,ik ben naar hotels gegaan. Ik heb nooit iemand in huis gehaald. Nooit. Bijna nooit.''

De ligbank zat nu klem.

,,Ik denk dat je het wel met Hans zal kunnen vinden'', zei ze, ,,hij heeft alles van je gelezen. Hij is een bijzonder begaafd natuurkundige.''

Ik liet de ligbank voor wat die was en liep naar Hans.

,,Zo'', zei ik, ,,jij bent dus een begaafd natuurkundige.''

Toen liep ik weer terug naar de ligbank en riep: ,,Wat moet je met een begaafd natuurkundige, wat moet je ermee?''

De begaafde natuurkundige zelf zei niets, die ging gewoon door met koffie zetten.

,,Luister'', zei ik, ,,als je koffie wil moet je maar naar een café.''

De rest is een tamelijk treurig verhaal. Het komt erop neer, kort samengevat, dat ik op de ligbank onder de kapstok slaap. Hans is heel vriendelijk, al verkondig ik minstens drie keer per dag dat ik mijn intrek neem in een hotel. Maar het is er nog niet van gekomen. Ook een ligbank went.

Hans praat graag over mijn werk. Hij zegt dat we het wel met elkaar kunnen vinden.

Ik vind dat hij uit zijn mond stinkt, maar ik verkondig een minderheidsstandpunt.

Ik heb hem gezegd: ,,Houd op met het roken van die goedkope shag, rook eens wat fatsoenlijks, als je toch zonodig dood moet.''

's Avonds hoor ik ze lachen, maar dan beuk ik gewoon extra hard op de toetsen.

,,Je hebt er zelf naar gemaakt'', zegt ze, ,,je bent ermee begonnen.''

Toen ik Hugo Claus en zijn vrouw in Londen tegenkwam dacht ik weer aan mijn ligbank onder de kapstok. En dat bij echte schrijvers woorden zaad zijn. Alles wat ik tot nu toe heb geschreven is alleen nog maar het voorvocht.