`Scheppen doe ik in een bunker'

De veelbekroonde Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog (46) schrijft persoonlijke en sterk geëngageerde poëzie over politiek en huis-, tuin- en keukenzaken. ``In feite heb ik mijn hele leven geleid tégen de poëzie: vier kinderen, het huishouden, een drukke baan.'

``Eén van de hoogtepunten van mijn leven', noemde een geëmotioneerde Antjie Krog de overhandiging twee weken geleden van het eerste exemplaar van haar verzamelbundel Om te kan asemhaal, in het bijzijn van ambassadeur Carl Niehaus en vertaler Robert Dorsman, op de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag.

Hoewel Krog (Kroonstad, 1952) sinds haar debuut in 1970 is uitgegroeid tot een van de belangrijkste en populairste dichters van Zuid-Afrika, en ze diverse keren Nederland bezocht als gast van Poetry International en de Nacht van de Poëzie, is nu pas een selectie van haar gedichten in het Nederlands vertaald. Krog schrijft zinnelijke, persoonlijke en sterk geëngageerde poëzie, die meerdere malen werd bekroond. Daarnaast werkt ze als parlementair journalist voor de Zuid-Afrikaanse radio, waarvoor ze onder meer berichtte over de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Hierover publiceerde ze vorig jaar het indringende Country of my Skull.

Uw poëzie heeft vaak een sterk persoonlijke toon. Hoe autobiografisch zijn de stemmen in uw werk?

``Poëzie moet authenticiteit bezitten, doorleefd zijn, maar het is óók het verhaal van anderen: het brengt een schok van herkenning teweeg. In zekere zin is het persoonlijk, maar de vrouwelijke stemmen in mijn werk bijvoorbeeld nemen heel uiteenlopende vormen aan die zeker niet allemaal met mij kunnen worden vereenzelvigd. Ik schrijf omdat ik verslaafd ben aan poëzie, en wat ik schrijf, kon ik niet ergens anders vinden om te lezen.

``In ons land is er trouwens een fel debat over of je je als blanke een zwarte stem kunt toe-eigenen. Men zei altijd: waag het niet om namens zwarten te schrijven. Doe niet alsof je weet hoe zwarte mensen zouden klinken, pretendeer niet dat je hun situatie kunt begrijpen of invoelen. Je krijgt dan enorme kritiek. Dus daar ben ik altijd bijzonder zorgvuldig mee omgesprongen in mijn werk, de zwarte invloeden die ik gebruik zijn historisch of filosofisch. In Nederland kun je misschien de stem van een ander worden, maar bij ons nog niet.'

In `Drie Moravische broeders huisvesten ons' schrijft u, `Hoe geef ik de knusse holte prijs waarnaar ik ben geboren? (...) De keuze stinkt wellicht naar voorrecht'. Hebben de Afrikaner schrijvers met al hun voorrechten nog wel het recht om de stem van Zuid-Afrika te zijn?

``Blanke Zuid-Afrikaners traden zwarten uitsluitend tegemoet met het zelfvertrouwen dat verbonden is met rijkdom en macht. Hun stem was die van het privilege en dat is een typisch Zuid-Afrikaanse stem. De vraag is, hoe ga je om met privileges wanneer mensen honger hebben? En wat kun je doen? Niet iedereen is een held. Wat kun je doen wanneer je een vrouw bent, getrouwd bent, kinderen hebt? Vergeet je dan maar de rest; zeg je: ik schrijf over mijn kinderen want daar gaat mijn leven over? Of zie je je kinderen in die context? Veel van mijn gedichten worstelen met de vraag, `Hoe kun je leven temidden van zoveel lijden?'

U vraagt zich ook af, in `Country of my Skull', hoe te leven met het bewustzijn dat de `taal van uw hart' ook de taal van martelingen en dood is.

``Ja, maar ook dat is geen handicap. Het scherpt je. Wanneer ik schrijf over mijn kinderen voel ik mijn diepe verbondenheid met ze, maar tegelijkertijd ervaar ik de fragiliteit van die relatie, omdat die bestaat in een bepaalde taal en een bepaald land, in een omgeving van geweld en privilege.'

Veel van uw gedichten lijken een gepassioneerde lofzang op uw man en kinderen, op het landschap, op de zinnelijkheid. Aan de andere kant zegt u: `Ik schrijf omdat ik woedend ben'.

``Woede vormt óók de basis van die lofzangen. Je schrijft over je kinderen, maar je weet dat het eigenlijk niet kan – `keukenpoëzie' is immers iets dat niet serieus genomen hoeft te worden. Dan is er de exploitatie van je kinderen die erbij komt kijken, door over ze te schrijven. En bovendien staan deze `huishoudgedichten' in een context waar andere mensen niet eens familie hádden, waar andere kinderen vermoord werden. Ik heb nooit geprobeerd het soort leven te leiden dat gunstig zou zijn voor poëzie. In feite heb ik mijn hele leven geleid tégen de poëzie: vier kinderen, het huishouden, een drukke baan. Maar ik heb altijd geloofd dat de poëzie daar doorheen moet barsten, dat het moet komen ondanks dat alles. Ik kan zo kwaad worden wanneer ik iets lees en weet dat de schrijver úren heeft gehad om te observeren, dágen om na te denken, wéken om het op te schrijven, máánden om precies de juiste toon te vinden. Het lijkt me namelijk heerlijk om zelf in die positie te verkeren.'

Gedicht na gedicht beschrijft u hoe uw huishouden en gezin in conflict komen met uw poëzie. Maar komen die gedichten niet juist ook voort uit dat conflict?

``Het gaat hier om de oude kwestie van `a room of one's own'. Om iets te scheppen moet ik een ondergronds leven zoeken, een bunker waar ik zo eerlijk mogelijk over mijn woede en irritatie kan schrijven. Ik wil een ruimte waar het niet uitmaakt dat ik bijvoorbeeld twee prachtige gedichten schrijf over een van mijn kinderen, en niets over de drie andere. De problemen beginnen wanneer je die bunker uitkomt en gaat onderhandelen met je leven. Dan ga je denken, dat gedicht zal die-en-die kwetsen, dat kan ik eigenlijk niet maken, als ik hier nou eens de titel verander, of daar weer iets anders. Bij mannelijke schrijvers lijken de mensen eerder te accepteren dat ze egoïstisch zijn en hun naasten gebruiken, maar ik krijg er erg veel kritiek op. Ik vind dat ondergrondse echter buitengewoon belangrijk; het is precies datgene wat noodzakelijk is `om te kan asemhaal', zoals de titel van mijn bundel zegt. Alle gedichten daarin hebben te maken met ademhalen en overleven; als dichter, als vrouw, als Afrikaner, als geprivilegeerde persoon; overleven op een integere manier.'

Uw poëzie is, net als Afrikaanse poëzie in het algemeen, doortrokken van een diepe verbondenheid met het land, maar tegelijkertijd is er het besef er niet thuis te horen.

``Je voelt je diep verbonden met een land dat jou in feite niet toebehoort. De spanning tussen het land beschrijven en het land zelf, tussen het bezit van dat land en landschapspoëzie, is cruciaal voor ons. De Afrikaanse taal is geobsedeerd door het landschap van Zuid-Afrika.'

Het is bijna alsof Afrikaner dichters hun poëzie gebruikten om het land te veroveren.

``Ja, en het soort Afrikaans waarmee ze dat deden! De vraag is, ga je schrijven over een land dat je ziet door een spiegel, of ga je léven in dat land, en dan pas schrijven? Sinds 1994 is dit allemaal aan het veranderen, maar voor die tijd had je sterk het gevoel dat je er niet woonde, althans, niet in het echte land maar in een gefabriceerde wereld. Het is de zaak om deel uit te maken van het land op de voorwaarden van het land, en niet op de jouwe. In heel mijn werk kom ik daarop terug.'

In het gedicht `Grond' beschrijft u Zuid-Afrika als een onbeantwoorde liefde. Zou het land de Afrikaners afwijzen, als het dat zou kunnen?

``Maar dat heeft het ook gedaan! Altijd! Je hebt het overwonnen, ingenomen, je woont er, je houdt ervan, maar het is niet het jouwe.'

Antjie Krog: Om te kan asemhaal. Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman. Atlas, 188 blz. ƒ39,90.

Correctie

In het gedicht van Antjie Krog (Boeken 2-4-99) stond een tikfout. `Is vol van vrede', moest zijn `is vol vam vrede':

Slaapliedje voor Willem

mijn kleinste kokkoboks

mijn liefste kaspaas

hem vriendelijke oogjes

is vol vam vrede

hem vingertje wijst

een kwikstaartje staart

hem baby'tje slaapt

in een weidje van adem

Uit Antjie Krog: Om te kan asemhaal

Vertaling Robert Dorsman

Redactie