Rosa Luxemburg: Die russische Revolution, 1918

Tachtig jaar geleden werden de leiders van de Berlijnse Spartakus-opstand, de communisten Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, door regeringstroepen op brute wijze vermoord. In de DDR werden beiden als martelaren van de revolutie door het regime officieel vereerd. Maar in diezelfde DDR gold Rosa Luxemburg ook als symbool van verzet tegen de onderdrukking. In januari 1989, enkele maanden voor de val van de Muur, verstoorden burgerrechtenactivisten de herdenking door een spandoek te ontrollen met de beroemdste zin uit haar geschrift Die russische Revolution, door Luxemburg in de marge van het onvoltooide manuscript toegevoegd: `Vrijheid is altijd de vrijheid van andersdenkenden.'

Luxemburg schreef Die russische Revolution in september/oktober 1918 in een cel in Breslau. Als `staatsgevaarlijk' revolutionair socialiste en antimilitariste, had ze het grootste deel van de Eerste Wereldoorlog gevangen gezeten. Ze was na het uitbreken van de oorlog diep teleurgesteld over het `verraad' van de Duitse sociaal-democraten die in de Rijksdag hadden ingestemd met het verstrekken van oorlogskredieten – aanvankelijk unaniem, inclusief het parlementslid Liebknecht. Ze was verbitterd over het uiteenvallen van de Tweede Internationale, ondanks alle antimilitaristische resoluties die voor de oorlog waren aangenomen. Binnen de SPD, waarin ze op de uiterste linkervleugel opereerde en streed tegen het revisionisme van de theoreticus Bernstein, was de van oorsprong Poolse jodin steeds meer in een isolement geraakt.

In haar pamflet over de Russische revolutie schreef ze dan ook dat de bolsjewieken onder leiding van Lenin en Trotski vertegenwoordigers waren van de `revolutionaire eer en daadkracht, waaraan het de Westerse sociaal-democratie zozeer ontbroken heeft'. In Die russische Revolution valt dan ook zeker niet louter kritiek op de bolsjewieken te lezen. Wat Luxemburg aan aberraties van de marxistische leer constateerde, weet ze aan de extreem moeilijke oorlogsomstandigheden en het uitblijven van de proletarische revolutie in Duitsland. Maar niet in de eerste plaats aan Lenin en Trotski zelf die `door hun voorbeeldige energie en overbrekelijke trouw aan het internationale socialisme' alles hebben gedaan wat onder `dergelijke verduiveld moeilijke omstandigheden mogelijk was.'

Niettemin formuleerde Luxemburg in haar pamflet de eerste revolutionair-marxistische kritiek op de Oktoberrevolutie. Ze kritiseerde de pragmatische grondpolitiek, Lenins opvattingen over het zelfbeschikkingsrecht van naties en, niet in de laatste plaats, de houding van de bolsjewieken ten opzichte van de democratie. Zij ontbonden in januari 1918 het grondwetgevende parlement, dat in vrijheid was gekozen, maar waarin de bolsjewieken geen meerderheid hadden. Luxemburg stelde dat zij tenminste nieuwe verkiezingen hadden moeten uitschrijven. Voor haar waren parlement, vrijheid van vergadering en vereniging en een vrije pers onontbeerlijk voor een `socialistische democratie'. Het ontbreken van deze democratische rechten zou leiden tot `een schijnleven, waarin alleen de bureaucratie het actieve element vormt', tot corruptie en verwildering van het openbare leven, inclusief gijzelingen en executies. Heilig overtuigd van de revolutionaire gezindheid van de `massa', stelde ze dat de arbeidersmassa niet buitenspel gezet mocht worden. Alleen de heerschappij van de massa was de ware `dictatuur van het proletariaat'. De methoden van de bolsjewieken zouden onherroepelijk leiden tot de dictatuur van de partij of een kliek.

Maar Luxemburg pleitte niet voor herstel van een burgerlijke democratie. Ze minachtte de `bekrompen wijsheid uit de parlementaire kinderkamer'. Hoe democratische rechten dan wel gegarandeerd konden worden, bleef onduidelijk. De vrijheid van andersdenkenden die Luxemburg bepleitte, was een `vrijheid' binnen de dictatuur van het proletariaat.

Geweldsuitoefening werd door Luxemburg niet principieel afgewezen. Ze gaf toe dat in Rusland `natuurlijk alle dwangmaatregelen' ingezet moesten woorden in de maanden na oktober om het burgerlijk verzet tegen de revolutie `met ijzeren vuist' te breken. Ook in het programma van de Spartakusbond pleitte ze in december 1918 voor het bewapenen van arbeidersmilities om het burgerlijk geweld met proletarisch geweld te kunnen beantwoorden. Evenals Lenin stelde ze dat burgeroorlog immers slechts een ander woord was voor klassenstrijd. Het was een `belachelijke kleinburgerlijke illusie' om te denken dat de bourgeoisie zonder geweld van haar privileges afstand zou doen.

Luxemburgs kritiek op de Oktoberrevolutie kwam niet uit de lucht vallen. Al in 1904 had ze zich gekeerd tegen Lenins opvattingen over een centralistische voorhoedepartij van beroepsrevolutionaren. Zo zou `een comité van samenzweerders in naam van een niet-bestaande volkswil' kunnen ontstaan. De massastaking moest het dragende element van de proletarische revolutie zijn, zo concludeerde ze uit de Russische revolutie van 1905. De partij had daarbij een sturende rol en moest daarom een massapartij zijn. Dat betekende in haar ogen overigens niet dat er bij de aanvang van de revolutie al een revolutionaire meerderheid aanwezig moest zijn. Die kon ook, misschien juist, tijdens de revolutie ontstaan.

Toen Luxemburg na de Novemberrevolutie in Duitsland – waarbij een einde kwam aan het keizerrijk – uit de gevangenis kwam, kreeg ze de kans haar voluntaristische opvattingen in praktijk te brengen. Haar ambivalentie bleek ook in de praktijk. De voorlopige regering onder leiding van de sociaal-democraat Ebert, die doodsbang was voor `Russische toestanden', schreef verkiezingen uit voor een grondwetgevend parlement. De Spartakisten wilden daarentegen alle macht in handen geven van de arbeiders- en soldatenraden die her en der in het land waren opgericht. Tegelijkertijd was Luxemburg er wèl voorstander van dat de Kommunistische Partei Deutschlands (Spartakusbund), waarvan ze in december 1918 een van de oprichters was, meedeed aan de verkiezingen voor de Nationale Vergadering. Dat was volgens haar een goed platform voor revolutionaire agitatie. Ze wist de KPD niet te overtuigen. De partij deed niet mee aan de verkiezingingen. Met haar kritiek op de bolsjewieken stond ze ook binnen de KPD wederom vrijwel alleen.

Luxemburg wist wel door te drukken dat de partij niet tegen de wil van de massa de revolutie zou doorvoeren. Die revolutionaire massa ontbrak in 1918 in Duitsland nagenoeg volledig. De massa verlangde juist naar rust. Toch verzette Luxemburg zich in januari 1919 niet, toen een revolutionaire opstand in Berlijn `spontaan' uitmondde in de roep om aftreden van de regering. Ze achtte de tijd daarvoor nog niet rijp, maar stelde zich uiteindelijk wel op aan het hoofd van de opstand. Nadat Eberts sociaal-democratische minister Gustav Noske de hulp had ingeroepen van reactionaire Freikorpsen om de opstand neer te slaan, moest ze dat met de dood bekopen.

Tijdens haar leven zag Luxemburg ervan af om haar pamflet over de Russische revolutie te publiceren. Ze wilde de tegenstanders van de revolutie niet in de kaart spelen. In 1922 publiceerde KPD-leider Paul Levi het manuscript, nadat hij in aanvaring was gekomen met Moskou. Lenin reageerde daarop met een artikel in de Pravda waarin hij `de adelaar' Luxemburg prees, maar ook haar `vergissingen' op rij zette. Later zou Stalin haar pleidooi voor de vrijheid van andersdenkenden als `contrarevolutionair' van de hand wijzen.

Er is in de twintigste eeuw wellicht geen socialist geweest die door zoveel verschillende stromingen uit deze internationale beweging voor eigen doeleinden is gebruikt. Voor marxistisch-leninisten fungeerde ze als nuttig slachtoffer. Voor sociaal-democraten bleef ze het kwade geweten over hun eigen `bloedhond' Noske. En voor radicaal socialisten was ze de theoretica die, als ze niet was vermoord, aan de wieg van de Derde Weg zou hebben gestaan. Vooral de laatsten zagen in Luxemburg de bevestiging van hun hoop op de revolutionaire én democratische massa. Zij vertolkte het idealisme waarop alle socialisten tussen Tweede en Derde Internationale tegen beter weten in bleven vertrouwen: een soort fatalistische verwachting dat er een moment zou komen waarop macht niet meer corrumpeert. Hun fiasco's sinds de Russische revolutie waren zo in wezen een eerbare herhaling van Luxemburgs nederlaag.

Rosa Luxemburg: Die russische Revolution. Verzameld werk deel 4, Dietz Verlag, ƒ39,10