Rathenau

In oktober 1914 schreef de joodse industrieel en publicist Walther Rathenau aan zijn vriend Frederik van Eeden: ,,Wie van ons weet of hij de vrede beleeft. Wij zullen moeilijker dingen beleven dan die wij zagen. Een hard geslacht zal opgroeien, misschien vertrapt het onze harten. Wat doet het ertoe?'' Nu staat er een klein monument in de bocht van de lommerrijke Königsallee, waar hij op 24 juni 1922 door dat `harde geslacht' werd doodgeschoten. Hij was inmiddels minister van Buitenlandse Zaken geworden, had de herstelbetalingen van `Versailles' bijna weten te halveren en probeerde op allerlei manieren het vertrouwen in Duitsland te herstellen. Zijn grootste fout was dat hij dreigde te slagen.

Er waren andere krachten losgemaakt in de stad, geheime groepjes uit het leger en de kring van de Freikorpsen. Zij zagen `Versailles' als de definitieve dolkstoot jegens de oude Germaanse waarden. Iedereen die deze vrede wilde consolideren was een verrader, zeker als hij jood en intellectueel was. Twee Duitse historici, het echtpaar Hannover, hebben het eens uitgezocht: tussen 1918 en 1922 werden in Berlijn door extreem links 22 moorden gepleegd en 17 daders werden zwaar gestraft. Door extreem rechts werden in dezelfde periode 354 moorden gepleegd, en slechts de dader van de moord op Rathenau werd gepakt. Zo ver reikte toen al de beschermende hand van sommigen bij de politie, de justitie en de Reichswehr. Intussen marcheerden de Freikorpsen lustig door de stad onder de hakenkruisvlag – want die hadden ze allang voordat een zekere Hitler enige bekendheid verwierf.