Prolurk zonder blanke pit

Ronald Giphart windt er geen doekjes om in zijn novelle De voorzitter. Epi Brons, de voorzitter in kwestie, is een weerzinwekkend zwijn, en dat wil hij weten ook. Al op de tweede bladzijde vermeldt hij zijn `aardappelneus' en zien we hem met bankbiljetten zwaaien. Hier is – hij zegt het zelf – een `verwerpelijke prolurk' aan het woord.

De rest van het verhaal geeft geen aanleiding om hem tegen te spreken. Alle denkbare corruptie in de zaken- en voetbalwereld heeft Giphart geconcentreerd in zijn hoofdpersoon, baas van het concern Intertegel en voorzitter van de voetbalclub Bandstad '83. Of het nu gaat om afpersing, chantage, witwassen van zwart geld, mishandeling of omkoperij – Epi Brons, die zich ook nog ontpopt als een geroutineerd hoerenloper, heeft zich er schuldig aan gemaakt.

Zichzelf omschrijft hij ergens als een `filosoferende ruwe bolster' – zonder blanke pit, zo blijkt. Het is een en al cynisme en sarcasme wat de klok slaat. Omringd door `kabouters' en andere `zuurstofverspillers', zwelgt Epi in zijn eigen vermeende superioriteit. Hij feliciteert zichzelf doorlopend met zijn inzicht in de zwakheid van anderen, wier faux pas hij gewetenloos weet te exploiteren. Met Napoleon en prins Rainier van Monaco als voorbeelden, zegt hij te geloven in `totalitair leiderschap'. Van `zwak' is hij op den duur puur `slecht' geworden en met enkele gelijkgestemden heeft hij een `Herenclub' opgericht (ook wel `Hoerenclub' geheten in Epi's weinig subtiele idioom), waarvan de leden zich collectief te buiten gaan aan alles wat God en de wet hebben verboden.

Het is duidelijk: Giphart heeft zich eens lekker uitgeleefd tijdens het schrijven van dit liederlijke portret. Met als alibi voor Epi's openhartigheid: de aanwezigheid van een imaginaire gesprekspartner, die door hem `de journalist in mijn hoofd' wordt genoemd. We leven tenslotte in een mediawereld; iedereen die zijn kop boven het maaiveld uitsteekt krijgt van tijd tot tijd een microfoon onder de neus geduwd. De televisie is `de ware macht op aarde', verkondigt Epi wereldwijs, en bij wijze van preparatie heeft hij deze niets terugzeggende tegenspeler bedacht, op wie hij zijn `lekker vette uitgesproken mening' over alles en iedereen kan uitproberen.

Wie Herman Brusselmans' romans De terugkeer van Bonanza en Guggenheimer wast witter kent, weet bij wie Giphart in de leer is gegaan. Epi Brons is het Nederlandse familielid van de tv-producer en reclameman Guggenheimer, die zich in deze romans op navenante wijze mag misdragen. Maar waar Brusselmans' Guggenheimer triomfeert met zijn kwaadaardige streken, delft Gipharts Epi het onderspit. Zijn bedrijf Intertegel gaat failliet na een hardhandige confrontatie met de FIOD, zijn `Herenclub' laat hem vallen als een baksteen, zijn voetbalclub kan zelfs door Johan Cruijff niet voor degradatie worden behoed, zijn dochter Christie verdwijnt in het gekkenhuis, zijn zoon Thomas eindigt als letterkundige (en wil zelfs `recensent' worden), zijn vrouw Bobbie blijkt zwanger te zijn van zijn Afrikaanse sterspeler, en zelf wordt Epi, na zijn vierde hartaanval, in het laatste hoofdstuk gearresteerd op verdenking van niet minder dan 48 strafbare feiten.

Je zou bijna medelijden met hem krijgen, ware het niet dat er voor medelijden geen plaats is in dit universum, waar alles om macht, seks en euro's draait. Hoogstens bewijst Epi's afgang dat de schrijver zelf op den duur niet opgewassen was tegen de slechtheid van zijn hoofdpersoon. Dat is jammer, want onwillekeurig sluipt zo een moralistisch element in het verhaal, dat het mogelijke effect ervan teniet doet. Een succesvolle slechterik maakt meer indruk dan een falende. Vooral wanneer er verder niet zo veel meer te halen is dan een oeverloze reeks quasi-stoere grappen en grollen, vermengd met door hun overdrijving even botte als melige beschrijvingen.

Bijvoorbeeld van de vrouwen die Epi in Monaco op een terras ziet zitten.

Vrouwen `met ingelijste zonwerende autoruiten voor hun gezicht. Hun make-up is factor zes miljoen. Ze nippen heel onminzaam aan placenta's met rietjes. Af en toe horen we een luide knal omdat er bij een van die vrouwen een elastiekje knapt en een borst explodeert of een onderkin als een airbag naar buiten schiet'.

Mede dankzij dit soort al te gemakzuchtige passages, waarvan er heel wat te vinden zijn in De voorzitter, heeft Giphart de onbarmhartige satire die zijn verhaal had kunnen worden vakkundig om zeep geholpen. Wat overblijft is een mager cabaretnummer, dat met zijn meer dan 150 bladzijden echt te lang duurt om de aandacht vast te houden.

Ronald Giphart: De voorzitter. Podium, 157 blz. ƒ27,50