Oorlog is liefde

De oorlog om Troje. Het moet een van de meest vertelde verhalen uit de wereldliteratuur zijn. Er zijn talloze verhalen uit voortgekomen, er zitten een heleboel verhalen aan vast die allemaal toelichten of veranderen, of die voorgeschiedenissen of naslepen vertellen. Homerus' Ilias is niet alleen een epos, het is ook een kern waar omheen mythen en legenden cirkelen. Zowel de Griekse als de Trojaanse helden zijn uitgegroeid tot bijna goddelijke figuren, net zoals Helena, de vrouw die de inzet werd van deze oorlog.

Wat is het geheim van een verhaal met zoveel bloed en doden, een verhaal dat voor zo'n groot deel uit vechten en beledigde krijgers bestaat? Misschien is dat ook wat Imme Dros heeft willen weten toen zij, na zo veel over Odysseus verteld te hebben, na de Odyssee opnieuw vertaald te hebben, besloot nu eens aan de Ilias te gaan beginnen. En om erachter te komen wat er zo meeslepend kan zijn aan oorlog trok ze een specialist aan om de geschiedenis van het beleg en de val van de `stad van de mooie paarden' nog eens te vertellen: Ares, de oorlogsgod.

Ares is van begin tot eind aan het woord in Ilios. Het verhaal van de Trojaanse oorlog. En Ares houdt, dat spreekt nogal, van oorlog. Hij komt echter niet steeds erg aan zijn trekken daar bij Troje – het gaat er jarenlang maar sloom aan toe. De Grieken liggen bij hun schepen, de Trojanen zitten achter hun muren. `Oorlog moet net als liefde bam! razendsnel en van twee kanten komen', vindt Ares. Maar er komt niets van twee kanten, beide partijen hebben er maar matig zin in. Het is wonderlijk genoeg niet door toedoen van Ares dat er uiteindelijk toch gevochten wordt. Sowieso is niets dat in verband staat met deze oorlog het werk van Ares. Keer op keer betoogt hij dat hij er niets mee te maken heeft, de mensen wilden oorlog, Zeus wilde oorlog, zelfs Afrodite heeft een vinger in de pap doordat ze Helena aan Paris beloofde, maar `ik, Ares, had er niets mee te maken'. Wel raar. Waar heb je dan een oorlogsgod voor nodig, als het niet voor oorlog is?

Het tekent de wonderlijke positie die de goden innemen bij de oorlog om Troje. Ze ruziën onderling, ze trekken volstrekt zinloos partij, zinloos omdat het lot van Troje toch al vastligt en omdat zelfs Zeus daar niets aan kan doen, ze bewegen zich op het slagveld maar lijken daar weinig geschikt voor – Ares zelf raakt meteen gewond en vlucht snel naar zijn vader aan wiens voeten hij als een kleine jongen gaat zitten snikken en bijkomen. De goden maken het hooguit allemaal erger. De goden, dat is een soort superorganisatie die zich vooral met zijn eigen zaken, prestige en drijfveren bezighoudt en zich oppervlakkig en gevaarlijk bemoeit met de mensen.

Maar goed, Ares is in ieder geval een god die geniet van de oorlog. `Oorlog moet je beleven, voelen! En het was me daar een oorlog bij de heuvel voor Ilios. Ge-wel-dig.' Hij praat over de oorlog zoals een ander over de liefde.Niet voor niets is Ares de geliefde van Afrodite. En hij is eenvoudig, een rechttoe-rechtaan type. Hij houdt van Afrodite (`mijn gouden schat') en die vindt hij dus ook met gemak de mooiste van alle godinnen. Voor de vergankelijke schoonheid van gewone vrouwen heeft hij geen oog, zelfs niet voor die van Helena: `Mij boeit het niet.' Hij geeft de voorkeur aan echte vechtersbazen zoals de grote Aias boven slimmeriken als Odysseus. `Je moet van het soort houden'. Daarom lijkt zijn lof voor Odysseus extra overtuigend. Hij is nogal eens over hem te spreken. Dat Odysseus de grote krijgsman Filoktetes gemeen zou hebben bedrogen om hem terug naar Troje te krijgen doet Ares af als `roddel' van een `op sensatie beluste tragedieschrijver'. Het grappige is dat je Ares als lezer gelooft. Dat komt Imme Dros, na Athene de grootste vriendin van Odysseus, natuurlijk wel goed uit, want die tragedie van Sofokles waarin Odysseus zo zwart wordt gemaakt kan haar ook niet lekker gezeten hebben.

Het is een goed idee geweest om eens een ander perspectief te kiezen voor deze navertelling. Niet dat er véél door verandert, dat kan nu eenmaal niet, maar de toon wordt er anders door. Juist door zijn stoerheid en vechtlust treft Ares het hart als hij eens wordt aangedaan door iets. Door de goorheid en de ellende van het slagveld bij voorbeeld, of door de achteloosheid van Afrodite als het om de liefde tussen Hektor en `de kleine Andromache' gaat (hun afscheid is een van de roerendste scènes uit de Ilias) en niet om `de wereldschokkende passie van Paris en Helena'. Ook is Ares overtuigend in zijn afkeer van de meeste andere goden en vooral van Apollo die hij treffend `de God met de lange tenen' noemt en wiens lichtgeraaktheid, wreedheid en zemeligheid door hem verafschuwd worden. Er is natuurlijk ook een andere blik mogelijk op Apollo, maar in de oorlog om Troje, waar hij met zijn pijlen de pest brengt, waar hij Kassandra slaat met helderziendheid en tegelijkertijd maakt dat ze nooit geloofd zal worden, waar hij Achilleus neerschiet, speelt hij niet zo'n mooie rol.

Deze vertelling over een oorlog is meeslepend, en met gemak de geestigste in tijden, zonder dat er de indruk gegeven wordt dat een oorlog grappig is. Dat is knap gedaan door Ares, en door zijn ghostwriter Imme Dros.

Imme Dros: Ilios. Het verhaal van de Trojaanse oorlog. Met tekeningen van Harrie Geelen. Querido, 227 blz. ƒ37,50