Moordlust boven de wieg

Een roman schrijven over een onaangenaam mens heeft als risico dat de lezer zich walgend van het boek afwendt. Wie wil er een paar uur met een rotzak opgescheept zitten? Schrijver en arts Joris Moens (1962) neemt telkens weer dat risico. In zijn debuutroman Bor (1993) portretteerde hij een aanrander en mormonenrammer. Zondagskind (1995) gaat over een overwerkte arts-assistent die stuitend denigrerend over zijn patiënten praat. In zijn nieuwe roman Een beest met twee lichamen, voert Moens weer twee hufters op: een forensisch psycholoog die misdadigers doorlicht en een computerprogrammeur met een psychopathische inslag.

Samen met Ronald Giphart en Rob van Erkelens zat Moens enkele jaren geleden in de redactie van het jonggestorven tijdschrift Zoetermeer. Moens schreef veel beter dan de anderen maar viel niet zo op naast de andere druktemakers. De jonge schrijvers rond dit blad hadden weinig met elkaar gemeen, maar werden toch gezamenlijk als Generatie Nix aangeduid. Mocht er iets zijn dat de Zoetermeer-schrijvers verbond, dan was het wellicht de voorliefde voor verveelde personages die zich verliezen in puberaal geklier.

Moens heeft inmiddels ook een paar van die etters op de wereld gezet. Ze lijken op elkaar: cynisch, seksueel gefrustreerd, verbaal begaafd, bot maar op zijn tijd ook grappig. Ze praten graag over vrouwen, die `dekcavia', `mozaïekmongool' of `pijpsnol' worden genoemd. Seks, drinken en de medemens treiteren zijn hun belangrijkste bezigheden.

Neem het begin van Een beest met twee lichamen. Psycholoog Daan gaat langs bij zijn voormalige drinkebroer Gus die huisvader is geworden. Bladzijdenlang houden de twee een brallerige tirade tegen het vaderschap, het huwelijk en krijsende baby's: `De moordlust boven de wieg in de gillende nacht... Je moordlust... Dat moet je meemaken.' En de moeder? `Heeft nergens last van, zegt ze. Je hebt 'r gezien. Ze ziet eruit als een geest. En neuken, ho maar.' Ouderschap is een `glasheldere no-win-situatie', vinden de heren. Geen populaire stellingname in deze tijd van blijde verwachtingen, waarin jonge paren zich inspannen om op tijd de millenniumbaby in huis te halen.

Het lijkt of Moens moedwillig de lezers tegen zijn personages wil opzetten. Om ze te testen. Hij speelt met de neiging van de lezer om zich in te leven in romanpersonages. Steeds als dit dreigt te gebeuren, laat hij ze iets schokkends doen of zeggen, zodat de kans op empathie weer verkeken is. Toch weet hij uiteindelijk medeleven op te wekken voor zijn etterbakken. Psycholoog Daan laat hij zo nu en dan serieus en liefdevol over zijn werk met criminele gestoorden vertellen. De grofgebekte vrouwenverslinder Gus verandert even in een verlegen jongetje als een roodgekruld meisje hem `gekkie' noemt.

Draaiden zijn vorige boeken vooral om dit spel van afschrikken en weer aantrekken van de lezer, Een beest met twee lichamen heeft meer te bieden. Het is een prachtige kruising tussen een zedenschets, een detective en een psychologische roman. Subtiel weet Moens de psychologische lijn – de verwording van een vriendschap – te verweven met de detectivelijn – het onderzoek naar de moord op een studente in Kampen.

Daan en Gus zijn uit elkaar gegroeid. Vroeger maakten ze menige kroeg onveilig, onvermoeibaar op vrouwenjacht. Nu is dat voorbij, Gus heeft een saaie baan, een vrouw en een kind. Daan heeft zich hierbij al neergelegd. Dan raakt hij echter, via zijn werk in het Pieter Baancentrum, geïntrigeerd door de moord op een studente die jaren geleden in Kampen is gepleegd. Hij ontdekt dat zijn vriend, die in Kampen studeerde, er meer van weet.

Daan leest het dossier over de moordzaak en onderwerpt Gus en de vriendschap aan een analyse. Hij komt tot de schokkende ontdekking dat hij Gus nooit gekend heeft. Waren ze wel zo innig? Ging Gus in zijn wangedrag niet altijd al veel verder dan Daan? Gus valt van zijn voetstuk. Ondertussen vraagt Daan zich af of hij niet te veel doordraaft. Het is wel erg makkelijk om de rare trekjes van Gus opeens te duiden als symptomen van een misdadige aanleg.

Moens is erg goed in het opbouwen en vasthouden van spanning. In het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld schakelt hij van de beschrijving van een kraambezoek plotseling over naar de observatie van een psychopathische crimineel. Het verband wordt pas veel later gelegd. De nieuwsgierigheid is gewekt. Als een detectiveschrijver zet Moens zijn sporen uit en doseert hij de feiten. Zo weet hij de spanning tot de laatste alinea vast te houden.

Behalve een speurdersverhaal en een tragische roman over het einde van een vriendschap is het boek ook een leuke zedenschets van het provinciale studentenmilieu in de jaren negentig. Met veel humor en in vlotte spreektaal beschrijft Moens het studentenleven in Kampen: ledigheid, zuipen, versieren en verslavende inertie. Als het wc-papier op is, gebruik je koffiefilters. De studenten komen pas tot leven als het hofleverancierschild van de plaatselijke Albert Heijn moet worden gestolen.

Mooie zinnen als: `de smaak van koffie had die van grafschennis niet uit zijn mond verdreven' worden afgewisseld met lollig bedoelde studentenpraat: `Dat Drents was een behoorlijk achterlijk accent, bedacht Gus. Alsof iemands zijn kukident kwijt was. Limburgs klonk weer alsof iemand zijn braaksel binnenboord trachtte te houden.' De snelle, wat ballerige stijl is soms grappig, en soms juist ergerlijk. Maar een goed boek mag best een beetje irriteren.

Joris Moens: Een beest met twee lichamen. Contact, 298 blz. ƒ34,90