Licht heeft geen kunst nodig

Jan Dibbets ontwierp spaarzaam gekleurde ramen voor de gerestaureerde St. Nicolaaskerk aan het IJ in Amsterdam.

,,Last van hoogtevrees?'' vraagt de opzichter. Een beetje. Maar die vrees is niets vergeleken bij de sensatie om van heel dichtbij oog in oog te staan met ornamenten, decoraties en gewelfstenen die bestemd zijn om van veraf te worden bekeken. Geen dankbaarder uitnodiging dan die voor de restauratiesteiger in het interieur van een monumentale kerk.

Voor Pasen had het bouwkundige deel van de restauratie van de Amsterdamse St. Nicolaaskerk tegenover het Centraal Station voltooid moeten zijn. De streefdatum van de dertien miljoen kostende hersteloperatie is niet gehaald. Gelukkig maar. Nu valt op de hoog zwevende, houten bouwvloer – daaronder is de noodkerk ingericht – nog volop te genieten van details en perspectieven die straks weer buiten gezichtsbereik liggen of geheel zijn verdwenen.

Van de acht grote ramen die beeldend kunstenaar Jan Dibbets (1942) in 1998 als `eigentijds element' voor de weerszijden van het middenschip ontwierp, is het eerste raam gemonteerd. In de sponningen van de zeven ramen die de komende weken zullen volgen, wacht het stevige blanke buitenglas van het dubbele beglazingssysteem op de kunst.

De reusachtige glas-in-lood constructie lijkt met de onderrand op de bouwvloer te rusten en biedt zo de unieke mogelijkheid om er recht tegenaan en recht doorheen te kijken. Straks, als steigers en loopplanken zijn verdwenen, en de toeschouwer weer op de stenen kerkvloer is aangewezen, valt het licht door de hoge ramen schuin van boven het immense interieur binnen. Dan is de zware glas-in-lood constructie pas werkelijk een luchtig kerkraam geworden. De dikke, ronde schroefkoppen in de raamlijsten zullen op deze afstand ogen als zilveren speldenknopjes. De licht- en donkergroene glasvlakjes van het raam dat de primeur heeft, rijgen zich aaneen tot helder gekleurde, verticale lijnen. De komende zeven ramen beschijnen het kerkinterieur met, onder andere, geel, blauw en paarsrood, maar steeds met de zuinigste mondjesmaat en altijd verticaal. Kleur is volkomen ondergeschikt aan het doorzichtige wit dat Dibbets in vijf verschillende toongradaties heeft toegepast. De gedachte aan Mondriaan, hoe vluchtig ook, valt moeilijk te omzeilen.

Blois

Het is niet de eerste keer dat Jan Dibbets zich aan kerkramen waagt. Begin jaren negentig vroeg Jack Lang, de toenmalige Franse cultuurminister en burgemeester van Blois, aan Dibbets zevenenveertig glas-in-lood ramen te maken voor de gotische kathedraal van Blois, een oude stad aan de Loire. Het glas en lood van `zijn' kathedraal was versleten. Als zelfbewust cultuurminister in Frankrijk greep Lang de noodzakelijke restauratie aan voor de opzienbarende opdracht aan een internationaal bekende kunstenaar.

Jan Dibbets vertelde toen in het Cultureel Supplement dat hij nooit de ambitie had gekoesterd om kerkramen te maken. ,,De geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw is doordrenkt van mislukkingen op dit gebied en dat is niet bemoedigend. Een paar maanden geleden heb ik toevallig in Normandië een stuk of dertig gerestaureerde Romaanse kerken bekeken. Allemaal aanfluitingen. Al het glas-in-lood dat de laatste honderdvijftig jaar is gemaakt, is een vervolg op de manier waarop in de twaalfde, dertiende eeuw de glazen zijn opgevuld. Op beperkte schaal is daaruit een bepaalde school voortgekomen die de heiligen allemaal met de handjes naar buiten gedraaid doet staan, gehuld in stijve, decoratieve jurken.

,,Abstracte ramen zijn helemaal verschrikkingen. Er bestaan abstracte schilderijen, maar een abstract raam is niets. Een raam heeft een functie, al is het alleen maar om licht door te laten. Vanaf de Renaissance wordt op de ramen steeds meer geschilderd. Steeds meer plaatjes die niet meer de functie hebben van een eenheid tussen glas en lood.''

Die weg wilde Dibbets niet bewandelen. Het onderzoek dat aan het ontwerpen van de Blois-ramen vooraf ging gaf het inzicht dat hij in kathedralen maar één soort ramen mooi vindt, ramen zonder kunst. Ramen met rechte of diagonale ruitjes met bijna onzichtbaar groenig, of gelig glas dat het licht tot contemplatieve stilte zeeft. Voor Blois koos Dibbets voor een raster dat op een ruit is gebaseerd. Voor de bakstenen St. Nicolaaskerk nam hij de rechthoek als uitgangspunt. Voor de ramen van beide kathedralen, de een aan de Loire de ander aan het IJ, moest gelden dat het licht niet door kunst of kleur mag worden belemmerd.

Een makkelijke voorspelling: dankzij de nieuwe ramen van Dibbets die alleen van binnenuit goed zijn te zien, zal de St. Nicolaaskerk eindelijk bevrijd raken van het odium van de bekendste onbekende kerk van Amsterdam. Bekend door het donkere silhouet aan de overkant van het Centraal Station, onbekend omdat maar weinigen buiten de katholieke geloofsgemeenschap de kerk ooit van binnen hebben gezien.

In de naoorlogse decennia heeft de St. Nicolaaskerk een zieltogend bestaan geleid. Het was mode om het uiterlijk van de kerk op zijn minst te veroordelen als `vervelend' of, sterker uitgedrukt, als `een draak'. Door de ondefinieerbare bouwstijl – neobarok met vleugjes neorenaissance of omgekeerd – was, ongezien, ook het interieur stilistisch vlees noch vis. Onbeholpen samengedrukt en veel te hoog ten opzichte van de aangrenzende woongebouwen, werd het eind-negentiende eeuwse gevaarte door het publiek veronachtzaamd. Zo ontstond het obstakel van het imago. De grauwe kerk was uitgediend. In de hoeken van het tredenbordes voor de ingangspoorten verzamelde zich opgewaaid vuil, oude kranten en lege flessen. Nooit meer zag iemand er een deur open staan.

Linoleum

Architect A.C. Bleys (1842-1912), ooit leerling van P.J.H. Cuypers – kortstondig, de temperamentvolle leerling kon niet met de autoritaire meester overweg – bouwde de kerk in een recordtijd van nog geen drie jaar. In juli 1884 werd de eerste paal geslagen en in maart 1887 vond de inwijding plaats.

De schilderkunstige decoratie van het kerkinterieur nam bijna veertig jaar in beslag. Het was het levenswerk van Jan Dunselman (1863-1931). In 1891 begon hij met een reeks van veertien kruiswegstaties die hij schilderde op de juten achterzijde van linoleum. Een eeuw later hebben de restauratoren al hun inventiviteit nodig om de zware, soms uitgezakte voorstellingen van de ondergang te redden. Met de muurschildering van St. Christoffel in 1928 voltooide Dunselman de decoratie van de kerk die onder zijn handen een bijna Byzantijns karakter kreeg. De architectuur was onder zijn schilderingen bedolven geraakt.

Helaas miste Dunselman het talent van de door hem hogelijk bewonderde Fra Angelico en Giotto. De kritisch schrijvende tijdgenoot Jan Kalf noemde Dunselman in 1901 `de beste onder onze religieuze schilders... Zijn werk is niet, als van Derkinderen, dat van een wijs denker en groot kunstenaar, maar het is van een innig vrome en van een goed schilder'.

De kruiswegstaties moeten nog tot het jaar 2000 wachten op hun rigoureuze restauratie. Maar tussen de kaarsroetresten en vochtplekken door is goed te zien dat Jan Kalf gelijk had. Ook de muurschilderingen en decoraties die al zijn schoongemaakt bewijzen het onmiskenbare vakmanschap van Dunselman. Maar zij verraden eveneens een gebrek aan persoonlijke verbeeldingskracht waardoor de talrijke voorstellingen in braafheid gevangen blijven. Dat zal de reden zijn waarom de naam van Jan Dunselman nauwelijks buiten de dikke muren van de St. Nicolaaskerk is gehoord. De glasheldere ramen van Jan Dibbets zouden daarin weleens verandering kunnen brengen.

In het Amsterdams Historisch Museum (Kalverstraat 92) is een kleine tentoonstelling aan de restauratie van de St. Nicolaaskerk gewijd. `Een `Kathedraal' aan het IJ' is te zien tot en met 13 juni. Openingstijden: ma-vrij 10-17 uur. za-zo 11-17 uur.