Joodse bibliotheek

De Amsterdamse student Simon Bornstein heeft aangifte van smaad gedaan tegen Het Parool. Aanleiding is een artikel in de krant waarin wordt beweerd dat Bornstein gelogen zou hebben over de vondst van de vooroorlogse bibliotheek van het Nederlands Israëlitisch seminarium.

Bornstein wordt aan het seminarium opgeleid tot rabbijn en doet bovendien promotieonderzoek naar de geschiedenis van de instelling. Hij werd deze zomer gewaarschuwd toen er op de Vrouwengalerij van de synagoge aan het Jacob Obrechtplein kasten met een grote hoeveelheid oude boeken waren aangetroffen. Het bleek de vooroorlogse bibliotheek van het seminarium te zijn, die door de Duitsers tijdens de bezetting was geroofd, teruggebracht en vervolgens vergeten. De boeken bevatten onder meer bijzondere ex-librissen en aantekeningen van docenten en studenten.

Door lekkages in de kasten is een deel van de boeken ernstig aangetast door insecten en schimmels. De kosten van restauratie zullen vermoedelijk rond een half miljoen gulden bedragen. Bornstein – die zich het afgelopen halfjaar met inventarisatie van de collectie heeft bezig gehouden – zegt de publiciteit gezocht te hebben uit vrees dat de collectie anders door het bestuur van het seminarium van de hand gedaan zou worden.

Hij werd geïnterviewd door het Nieuw Isrealitisch Weekblad en de Amsterdamse universiteitskrant Folia. ``Ik heb echter nooit beweerd dat ik die boeken zelf ontdekt heb. Dat ik nu in de krant een leugenaar word genoemd, is een aantasting van mijn reputatie als onderzoeker.'' Ook rabbijn Evers, de rector van het seminarium die in het krantenartikel wordt aangehaald als bron, ontkent dat hij zijn pupil heeft beschuldigd. Bornstein en Evers hebben samen een rectificatie van de krant geëist.

Maar daarmee is de onenigheid in het seminarium over de toekomst van de bibliotheek nog niet ten einde. Voorzitter J. Sajet van het seminariumbestuur vindt dat er voor de verschillende delen verschillende bestemmingen gevonden moeten worden. ``Sommige boeken zijn zo aangetast dat we er niets meer mee kunnen, wat volgens de joods wet betekent dat we ze moeten begraven. Verder zijn er studieboeken die wellicht nog mensen van dienst kunnen zijn. Wat er dan rest aan waardevolle boeken en collecties willen we onder beheer brengen van een grotere bibliotheek.''

Bornstein vindt dat de collectie zoveel mogelijk in zijn geheel bewaard moet worden om toekomstige onderzoekers van dienst te zijn. De mogelijke opdeling van de bibliotheek getuigt volgens hem van een lakse houding bij het bestuur. ``Als men zich meer om de bibliotheek had bekommerd, had hij ook niet vijftig jaar in een kast gelegen. Het gaat mij erom dat de bibliotheek behouden blijft, zo volledig mogelijk.''