Ieder een eigen reis naar de dood

Waarom zou men een boek samenstellen over vrouwen en de holocaust? Het ging toch om de moord op een complete bevolkingsgroep? Het wezen van de sjoa is nu juist dat baby en grijsaard, man en vrouw, rijk en arm, gelovig en ongelovig en wie dan ook moest worden vermoord die volgens racistische criteria bij de vervolgde groep hoorde. Wat heeft het sekseverschil te maken met de uit Polen gestolen kinderen, jongens zowel als meisjes, wier leven afhing van de uitslag van schedelmeting en indeling naar haartint? Met het getel van joodse grootouders? En met de ster?

Toch blijkt het de moeite waard om te analyseren of verschillen tussen mannen en vrouwen hun lot in de oorlog hebben beïnvloed. In de bundel Women in the Holocaust gebeurt dat langs een aantal wegen. Ten eerste wordt het joodse gezinsleven beschreven zoals dat vóór de oorlog bestond. De auteurs gaan de effecten na van de ideologie van de gescheiden mannen- en vrouwenwerelden. Doordat veel Duits-joodse vrouwen huisvrouw waren, ondervonden zij volgens hen eerder en directer dan hun mannen de gevolgen van de toenemende jodenhaat onder de bevolking. De moeders waren degenen die de kinderen moesten troosten na vijandigheden op school. Zíj merkten het als buren niet meer groetten, winkelpersoneel grof werd en werksters ontslag namen.

Die beschrijving gaat over in de vraag, hoe men in joodse kring anticipeerde op anti-joodse maatregelen. Dat er bijvoorbeeld uit Duitsland aanmerkelijk minder vrouwen dan mannen emigreerden (en aldus aan de dood ontsnapten), had volgens Marion Kaplan alles te maken met sekse-vanzelfsprekendheden. Als familieleden emigreerden bleven alleenstaande vrouwen vaak achter, omdat zij het als hun taak zagen hun bejaarde ouders te verzorgen. Families probeerden niet zelden alleen voor zonen een visum te bemachtigen, ook omdat reizen voor een jonge vrouw onveilig of onbetamelijk werd geacht. Dat vrouwen en kinderen juist thuis gevaar liepen, werd lange tijd niet geloofd. `Rekenden we door een absurde patriarchale kortsluiting op hun ridderlijkheid misschien', vroeg schrijfster Ruth Klüger zich achteraf verbijsterd af.

Kristallnacht

Die onderschatting kwam overigens niet louter voort uit traditionalisme en gebrek aan realiteitsbesef. In de Kristallnacht van 1938 werden inderdaad vooral mannen opgepakt, mishandeld en vermoord. Zelfs Reina Prinsen Geerligs, een van de weinige Nederlandse vrouwen in het gewapend verzet, schreef vanuit gevangenschap: `Wees voor mij niet bang, ik krijg hooguit levenslang; voor de jongens is het erger'. Kort daarop werd ze geëxecuteerd.

Hoe fataal de gedachte was dat vrouwen buiten de gevarenzone vallen, bleek op `zwarte donderdag' in Parijs. Op 16 juli 1942 werden bij razzia's bijna 13.000 Franse joden gearresteerd. Dat die jacht ophanden was, was uitgelekt, maar men veronderstelde dat het de Duitsers om de mannen zou gaan. Die poogden daarom schuilplaatsen te vinden, terwijl de vrouwen en kinderen thuisbleven. Met als uitkomst dat bijna tweemaal zoveel vrouwen als mannen naar Auschwitz werden gedeporteerd.

Anders dan in Westeuropa - waar de geëmancipeerde joden zich hadden aangepast aan het burgerlijk gezinsideaal - werkten Oosteuropese vrouwen nog vaak buitenshuis. Dat versterkte hun positie. Terwijl Duits-joodse vrouwen minder dan hun mannen zakenpartners, collega's of patiënten buiten joodse kring hadden, konden Poolse vrouwen iets zelfstandiger onderduik en voedsel regelen.

Bronka Klibanski beschrijft haar belevenissen als koerierster in Polen. Interessant is haar ambivalentie over het Rode Leger: enerzijds is ze intens dankbaar voor de rol die dit leger speelde bij de bevrijding; anderzijds constateert ze dat bij alle lof die haar groep in Sovjet-publicaties en bij onderscheidingen ten deel viel, de vermelding `joodse' verzetsvrouwen steevast ontbrak.

Women in the Holocaust stelt ook de vraag aan de orde of er verschillen en overeenkomsten waren in de maatregelen en misdaden tegen joodse mannen en vrouwen. Een van de misdaden waaraan speciaal vrouwen worden geacht bloot te staan is seksueel geweld. Dat `bij oorlog verkrachting hoort' verdient historische nuancering. Vernederingen van vrouwen, zoals naakt paraderen, kwamen frequent voor. Er zijn gevallen bekend van verkrachting van joodse vrouwen en meisjes door Duitsers en van het gebruik van joodse meisjes als `bediende' door een kampcommandant, en van groepsverkrachting en moord door Duitse officieren. Maar toch lijkt verkrachting geen structurele nazimisdaad te zijn geweest. Dat was niet uit hoffelijkheid, maar uit racisme. Anders dan bij de etnische zuiveringen nu – waarbij Servische mannen volgens berichten groepsgewijs moslimvrouwen verkrachten teneinde hen te bezwangeren en aldus de eigen bloedgroep uit te breiden – was volgens de Duitse rassenwetten seksuele omgang van `ariërs' met joden strikt verboden. Dat verkrachting niet op grote schaal voorkwam, neemt niet weg dat het risico vrouwen kwetsbaar maakte, zeker als zij in kampen, onderduik of verzetsgroepen onbeschermd waren.

Complexer zijn situaties waarin vrouwen zich, om te overleven of op zoek naar affectie, gedwongen hebben gevoeld mannelijke `bescherming' te accepteren. Nechama Tec beschrijft een Pools-joodse verzetsgroep die in de dichte wouden en moerassen van Wit-Rusland een compleet dorp wist op te zetten en meer dan duizend joden redde. Vrouwen die kans hadden gezien het getto te ontvluchten, waren daar welkom. Ze waren beter af, als ze zich een man lieten welgevallen. Sommige van de daar gegroeide half-vrijwillige verhoudingen werden volgens de interviewster later gelukkige huwelijken. Tec contrasteert de groep met de rondzwervende partizanengroepen van het Rode Leger, die joodse vrouwen slechts opnamen als ze een nuttig vak beheersten (arts, verpleegster, kok) danwel bereid waren iemands liefje te zijn. Zo niet, dan werden ze vermoord, net als joodse mannen.

Behalve hun seksualiteit maakten ook zwangerschap en moederschap vrouwen kwetsbaar. Felicja Karay laat in haar onderzoek naar de sociale structuur van Poolse werkkampen zien dat kamp-romances voor vrouwen riskant waren, omdat zij een zwangerschap met de dood moesten bekopen. Wie een kind had of zichtbaar zwanger was, werd in Auschwitz direct naar de gaskamer gestuurd. Vrouwen werd soms na aankomst toegefluisterd hun kinderen aan een oudere vrouw te geven. Dat gaf de (jonge) moeder nog een minimale kans. Oude vrouwen en kinderen moesten hoe dan ook dood. Voor sommige overlevenden was zwangerschap om die reden voorgoed besmet. Zo liet Arina B., van wie een in Auschwitz geboren kind was afgepakt, zich aborteren toen ze na de oorlog weer zwanger werd.

Ten slotte wordt in Women in the Holocaust onderzocht of mannen en vrouwen verschillend reageerden op hun ervaringen. Dat gebeurt op basis van eigen herinneringen, kampgetuigenissen, dagboeken en andere egodocumenten over het dagelijks leven in de kampen en de getto's van Lodz en Warschau, waar vrouwen, kinderen en bejaarden in de meerderheid waren omdat ook hier vooral jonge mannen waren gevlucht. Volgens journaliste Ruth Bondy zagen mannen en vrouwen er in Auschwitz-Birkenau al een dag na aankomst anders uit. De vrouwen hadden geprobeerd de willekeurig toegewezen kledingstukken op maat te maken. Ze hadden naalden gemaakt van splinters hout en draden uit de versleten lakens getrokken om de gaten in hun pakken te repareren. Vrouwen, concludeert Bondy, verloederden langzamer dan mannen.

Die herinneringen komen overeen met de notities van de Nederlandse Mien Harmsen, die als politiek gevangene een reeks Duitse kampen overleefde. In Der Vrouwen Moed, in 1946 gepubliceerd in het linkse blad De Vrije Katheder, beschrijft Harmsen hoe vrouwen van vuilnis sieraden, boekjes en fantasiemenu's maakten, hoe ze met uitgepulkte draadjes borduurden, hoe ze trachtten hun kleren schoon te houden, elkaar ontluisden en zelfs poogden krullen te zetten. Net als Bondy meent Harmsen dat vergelijkbare verschijnselen zich onder mannen minder voordeden. De `kampmoeders' en `kampzusjes', vriendschappen die van levensreddende betekenis konden zijn, lijken eveneens weinig mannelijke equivalenten te hebben gehad.

Door hun verschillende maatschappelijke positie hadden mannen en vrouwen uiteenlopende vaardigheden, competenties en bronnen van kracht, prestige, geluk én angst. Die verschillen speelden zowel tijdens als voor de oorlog een rol. Kaplan beschreef al eerder dat vrouwen het in de emigratie vaak beter redden dan mannen, dat zij het waren die hun gezin en de joodse gemeenschap gaande hielden. Een plausibele verklaring daarvoor is dat hun leven vanouds was gefundeerd in een vriendenkring, familie en gezin en dat zij die met redelijk succes konden voortzetten. Mannen konden hun statusverlies als kostwinner moeilijker te boven komen.

Anders dan Lawrence Langer in de bundel suggereert, in een kritiek op het gender-perspectief van Women in the Holocaust, hoeft zo'n kijk niet competitief te zijn. Het is geen wedstrijd in leed of weerbaarheid, in slachtofferschap of heldendom. Wie de mechanismen onderzoekt waardoor sommige groepen sommige situaties beter of anders doorstaan, diskwalificeert daarmee niet degenen die dat níet konden. En wie meent dat sommigen in specifieke situaties slechter af waren, bagatelliseert daarmee niet automatisch de ellende van anderen. Sterker, door zo gedetailleerd de consequenties na te gaan van bepaalde manieren van leven, krijgt de algehele verschrikking meer reliëf. Het kijken naar sekseverschillen levert bovendien inzichten op die comparatief bruikbaar zijn, als instrument bijvoorbeeld om de betekenis van sekse in actuele oorlogen te analyseren.

Vrouwenverheerlijking

Niettemin bevat Langers bijdrage een aantal behartenswaardige opmerkingen. Zoeken naar `seksespecifieke' ervaringen draagt het gevaar in zich dat de overlevingskracht van vrouwen wordt gemythologiseerd of hun relaties worden geromantiseerd. Wie daartoe neigt, kan maar beter Margarethe Buber-Neumanns boek Milena lezen, waarin uit de doeken wordt gedaan hoe communistes in Ravensbrück andersdenkenden behandelden. Van klakkeloze vrouwenverheerlijking is men dan voorgoed genezen.

Omgekeerd kan zoeken naar `gender-verschillen' ook leiden tot uitvergroting van vrouwenleed. Wie zou zo wreed willen zijn te bepalen welke sekse het zwaarste lot te dragen kreeg? In juni 1944 moest in Auschwitz een groep van zeshonderd moeders uit Theresiënstadt kiezen of zij mét hun kinderen een zekere dood tegemoet zouden gaan of zich lieten selecteren voor werk. Slechts twee vrouwen kozen voor het leven. Vaders werd deze keuze `bespaard'. Zij werden direct na aankomst van vrouwen en kinderen gescheiden.

Women in the Holocaust weet deze klippen meestal te omzeilen. Het is niet het eerste boek over dit onderwerp; de bekendste auteurs (Bock, Fink, Kaplan, Ringelheim) waren met verwante stukken al te vinden in de mooie bundel Different Voices. Women and the Holocaust van Carol Rittner en John K. Roth uit 1993. Net als in Different Voices worden in deze bundel wetenschappelijke artikelen afgewisseld met getuigenissen van overlevenden. Beide bundels laten overtuigend zien dat de genderbenadering onze geschiedschrijving en sociologie van de oorlog kan verdiepen. Zoals Mary Felstiner het formuleerde in haar biografie van Charlotte Salomon: `Along the stations toward extinction ... each gender lived its own journey'.

Dalia Ofer & Lenore J. Weitzman: Women in the holocaust. Yale University Press, 402 blz. ƒ77,40