Het virus dat Kwaad heet

Denen doen het goed in Europa. De auteur Peter H⊘eg brak alle bestseller-records met zijn thriller Smilla's gevoel voor sneeuw, filmmaker Lars Von Trier gooide hoge ogen met Breaking the Waves en onlangs oogstte zijn Dogma-collega Thomas Vinterberg succes met de film Festen. Deze Deense mannen hebben gemeen dat zij gefascineerd zijn door één thema in het bijzonder: het Kwaad. H⊘eg en Vinterberg kiezen daarbij het perspectief van de slachtoffers; Lars Von Trier zaait bij voorkeur twijfel over dader- en slachtofferschap.

Jens-Martin Eriksen (1955), net als Peter H⊘eg en Jens Christian Gr⊘ndahl een van de belangrijkste hedendaagse auteurs van Denemarken, deelt de fascinatie voor het Kwaad met zijn landgenoten. Eriksen schreef filmscenario's, toneelstukken, verhalenbundels en negen romans. Zijn werk behoort tot de zogenaamde `monologische maalstroom'-literatuur, een traditie in de Deense bekentenisliteratuur die gedragen wordt door het afwijkend gedrag en de lijdensweg van de hoofdpersonen.

Zo beschrijft hij in zijn roman Jim og jeg (Jim en ik, 1989) een vriendschap tussen twee jongens die eindigt met moordfantasieën. Niet omdat een van beiden iets verkeerd deed: het conflict ontstaat doordat beiden zich niet kunnen onttrekken aan het destructieve taal- en rollenspel waarin zij tegen wil en dank belanden.

Winter bij dageraad is Eriksens eerste boek in Nederlandse vertaling. Hierin volgt hij thematisch het spoor van Von Trier, door de lezer in de huid te laten kruipen van de jongeman Z., die geconfronteerd wordt met fascistische ideeën. Het verhaal speelt zich af in een land in burgeroorlog, dat niet nader wordt benoemd. Z. doet in een monoloog verslag van zijn tijd als soldaat. Het is zijn taak om gevangenen te escorteren en ze `effectief te elimineren'. Aanvankelijk probeert hij zich te onttrekken aan zijn dienstplicht, maar hij is niet sterk genoeg om te deserteren. Een permanente verdoving van alcohol en sigaretten helpt hem om zijn geweten uit te schakelen. Wanneer de laatste dag van Z. in de kazerne aanbreekt, sneeuwt het. Hij hoopt dat de witte laag zijn daden zal bedekken. Alsof de dood niet bestaat en de sneeuw zijn sporen uit kan wissen.

De historische en geografische onbepaaldheid van het verhaal doet enigszins gekunsteld aan. De lezer kan zich niet onttrekken aan de gelijkenis met de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Met de nadrukkelijke tijdloosheid wil Eriksen echter aangeven dat het hem gaat om een universele existentiële vraag: wat bezielt een mens tot wandaden over te gaan? Is iedereen hiertoe in staat? Z., een doodgewone en intelligente jongen, raakt verstrikt in een `diabolische talige logica' die hem en zijn kameraden weet te overtuigen van de noodzaak van etnische zuivering: `En terwijl ik dit vertel hoor ik de echo van de taal die we veel te goed hadden geleerd van de commandant. De eufemismen. Het inpakken van het catastrofale en afgrijselijke in een alledaagse taal, alsof die dag precies zo zou zijn als elke willekeurige andere.'

Het merkwaardige van Winter bij Dageraad is dat Z. vele malen dit soort beschouwende opmerkingen maakt over eufemistische taal, zonder concrete voorbeelden te geven. De monoloog krijgt hierdoor soms een onbeholpen semi-filosofisch karakter, alsof stukjes Hannah Arendt – haar denkbeelden over de relatie tussen banaliteit, bureaucratisering, taal en oorlog – wanhopig door Z. worden opgelepeld om greep te krijgen op zijn situatie. De staccato zinnen en de mitrailleur-achtige herhalingen maken de onmacht van Z. om een taal te vinden waarin hij zijn oorlogservaringen kan uitdrukken pijnlijk zichtbaar. Hij vervreemdt daarbij steeds meer van zichzelf, hetgeen Eriksen voelbaar heeft gemaakt door Z., op de momenten dat hij een oorlogsmisdrijf beschrijft, over te laten schakelen van de ik-vorm naar de jij-vorm, naar het neutrale `het': `Ik wees met mijn geweer naar het punt in de nek waar de schedel ophoudt en de zachte plek tussen de twee pezen begint. En toen stond ik daar gewoon, paraat om gehoor te geven aan Delta's commando. Ik weet het niet. Je bent helder, helemaal helder, je denkt aan niets anders, je bent zo zuiver en gezuiverd van binnen. Je hebt het punt bereikt waartoe je in je domheid en je verwarring, je angst en ontzetting bent opgeladen. Je denkt alleen maar aan dit ene. Een order en aan datgene wat je zonder aarzelen zult doen. Het functioneert allemaal zo perfect'.

Een terugkerend thema in het werk van Eriksen is de idee dat het Kwaad niet te lokaliseren is in bepaalde individuen. Eriksen onderscheidt zich op dit punt van twee andere bekende schrijvende Deense collega's in de monologische traditie, Gynther Hansen en Peer Hultberg, wier romans vooralsnog helaas onvertaald bleven. Daar waar Hansen de oorzaak van het Kwaad in de maatschappij op historisch niveau plaatst – hij schreef onder meer een boek over de jaren dertig met de titel Hitler, min far og mig (Hitler, mijn vader en ik) – en Hultberg een psychoanalytische verklaring op individueel niveau geeft, zoekt Eriksen in Winter bij dageraad de oorzaak van gruweldaden in de technische taal van het Kwaad, een taal `die het onderscheid tussen goed en kwaad niet kent'.

Winter bij dageraad is fascinerend door de identificatie die wordt afgedwongen met een oorlogsmisdadiger. De lezer voelt sympathie noch afgrijzen voor hem, maar raakt gehypnotiseerd door de monoloog, wordt medegevangene in de taal, en verkeert daardoor in een zelfde merkwaardige `koude' toestand als Z. Eriksen neemt bovendien geen moreel standpunt in, en daarin ligt een confronterende conclusie besloten. Het Kwaad is een talig virus dat groter is dan de mens. Een virus dat besmettelijk is en iedereen kan treffen.

Jens-Martin Eriksen: Winter bij dageraad. Vertaald uit het Deens door Gerard Cruys. Wereldbibliotheek, 160 blz. ƒ34,50