Even de veren poetsen

Op de tentoonstelling `Vogels' in het Amsterdamse Rijksmuseum hangen prenten en tekeningen die uit verliefdheid gemaakt zijn.

Iedereen die regelmatig op beschermd vogelterrein komt, kent het beeld: een kluwen mensen in degelijke vrijetijdskleding die door verrekijkers of kostbare telelenzen langdurig en zwijgend kijkt naar iets dat jij niet kan zien. Van een afstand heeft het geheel wel iets weg van een mythologisch dier met tientallen ogen. Loop je naar deze vogelaars toe om te vragen waarnaar ze kijken, dan is de kans groot dat niemand iets zegt. Wie aandringt, krijgt van een stem uit zo'n kluwen uiteindelijk wel een reactie: ,,Als u dat nu nog niet weet, dan zult u het nooit weten ook'' of woorden van gelijke strekking. Je zoekt in de menigte waar de stem vandaan kwam, maar het is al te laat. De woordvoerder zwijgt weer, terwijl de rest van de groep je, niet eens onvriendelijk maar wel opvallend consequent, blijft negeren. In zo'n geval kun je ervan uitgaan dat er via een vogelhotline, of misschien op Internet, een zeldzame dwaalgast is gemeld. Wie zelf ambieert middelpunt van zo'n kluwen te worden, weet wat hem te doen staat: als eerste zo'n dwaalgast zien en het vooral niet geheim houden.

Is de verblijfplaats van een zeldzame vogel eenmaal publiek gemaakt, dan storten de soortenjagers zich op hun prooi en heeft het dier geen enkele privacy meer. Zijn leven wordt voortaan met fanatieke belangstelling gevolgd: waar is-ie het laatst gezien, is in de buurt het wijfje al weer gesignaleerd, hebben ze al samen ontbeten? Een zeldzame vogel in Nederland is te vergelijken met een televisiester. Het dier kan niets ondernemen zonder dat daarvan notitie wordt genomen. Vogels kijken is voor velen een vorm van zelfdressuur, een soort hogeschoolrijden op eigen jachtinstinct. Maar soms veroorzaken soortenjagers zoveel stress bij hun beschermelingen dat er dooien vallen. Gelukkig zijn de meeste vogelkijkers doordrongen van de gevaren. Er zijn er die niet alleen opkomen voor de belangen van vogels in Nederland, maar ook moeite doen om een eind te maken aan het schieten op trekvogels in Zuidelijk Europa. Is het niet bizar te bedenken dat de vele goed bedoelde beschermingsmaatregelingen in Nederland ervoor zorgen dat leeuwerikpaté en zanglijsterpastei in Zuideuropese restaurants betaalbaar blijven? Vogels die hier beschermd zijn opgegroeid, worden daar massaal neergeschoten door lokale boeren en elitejagers.

Inheems

Om het honderdjarig bestaan van de Vogelbescherming te vieren, maakten de conservatoren van het Rijksmuseum een selectie uit de prenten, tekeningen en foto's in de verzamelingen van het Rijksprentenkabinet en de Bibliotheek. Bij de tentoonstelling tref ik twee typen bezoekers aan: allereerst toeristen, die op zoek naar de Nachtwacht, een verkeerde afslag hebben genomen. Waar ter wereld ze ook vandaan komen, binnen enkele minuten hebben ze de tentoonstelling weer verlaten. De tweede categorie wordt gevormd door inheemse vogelaars. Nu niet in kluwenformatie, maar in paren of alleen, bekijken ze de vogelafbeeldingen, maar ook de opgezette exemplaren: de kerkuil met zijn sneeuwwitte mantel vol grijze spikkeltjes, de paradijsvogelmannetjes met hun overdreven lange plooirokken, of de iriserend blauw en oranje gekleurde ijsvogel, waarvan Nozeman en Houttuyn (1770-1829) in de Nederlandse Vogelen vermelden dat het vlees ongenietbaar is. De bonte kleuren van de ijsvogel zouden rovers waarschuwen voor de walgelijke smaak van deze prooi. Een opmerkelijk idee als je bedenkt dat Darwin nog niet had gepubliceerd toen hun boek verscheen. Opgezette vogels zou je eerder in een museum voor Natuurlijke Historie verwachten dan in het Rijksmuseum. Dat ze naast de afbeeldingen getoond worden, geeft al enigszins aan om wat voor tentoonstelling het gaat. Voornamelijk werk van tekenaars, onder wie heel goede, die eropuit waren een vogelplaatwerk of gids te illustreren.

Ooit stond ik voor de moeilijke keuze om in Afrika aan visjes te gaan werken of in Nederland aan de chimpanseekolonie in Burgersdierenpark. Die stond indertijd onder leiding van Nikkie, een chimpansee met een bijzonder curriculum vitae: hij had een arbeidsverleden als medewerker van Holiday On Ice en maakte jaren later nog af en toe een extra koprol voor de show. Tijdens het sollicitatiegesprek bij de chimpanseebiologen was een van de eerste vragen die werd gesteld: ,,Kijk je naar vogels?'' Er werd niet gevraagd of ik wel eens chimpansees in het wild had gevolgd en ook niet of ik mijn vrije tijd doorbracht met het kijken naar chimpansees in dierentuinen. Het scheen mijn ondervragers nauwelijks te interesseren dat ik de publicaties van Jane Goodall had gelezen en dat het nature-nurture debat mijn belangstelling had. Ik kreeg sterk de indruk dat de chimpanseeonderzoekers niet zomaar een bioloog zochten, maar een vogelaar die bereid was om te schakelen op chimpansees. Ze moeten zich ervan bewust zijn geweest dat het veel eenvoudiger is een vogelaar te leren lezen en debatteren, dan om een lezer of prater om te scholen tot een scherp waarnemer. Op de terugreis, na het sollicitatiegesprek, zag ik uit de trein tussen Utrecht en Leiden enkele kamelen in een groen weiland staan. Een droombeeld. Een hogere vingerwijzing die zelfs ik als godloochenaar onmogelijk meende te kunnen negeren.

Albino

Zo belandde ik in Oost-Afrika en niet bij de Arnhemse chimpansees. Pas daar, in Oost-Afrika waar 1300 van de 8600 vogelsoorten op aarde voorkomen, begon ik intensief naar vogels te kijken. Veel te laat om nog een goede vogelaar te worden. Want die zijn altijd in hun kindertijd begonnen. Dat geldt vast ook voor een illustrator als Jan Christiaan Sepp (1739-1811) die een zeldzame kleurvariant van de bontgekleurde ijsvogel afbeeldde, een heuse albino met witte veren en rode ogen, geen leukist. Het geldt ook voor John James Audubon* (1785-1851) die slecht sliep als hij op een dag minder dan honderd vogels had geschoten en zeker voor de schilder Melchior d'Hondecoeter (1636-1695) die zijn vogels uit verliefdheid schilderde. Ik ben ervan overtuigd dat de chimpansee-onderzoekers in een vogelaar met een geduldig maar snel oog zoals Melchior d'Hondecoeter, de ideale kandidaat voor hun vacature zouden hebben gezien.

Voor geïnteresseerden in vogelgedrag en de omgang van mensen met vogels is er veel te zien. Een prent van Johannes Collaert (1523-1605) toont de manier waarop in de zeventiende eeuw vogels werden gevangen: vastgebonden uilen worden gejend door opgewonden zangvogels. Jagers die zich als struiken hebben vermomd, maken van de mobbing-reactie van deze vogels gebruik door ze met lange pincetvormige tangen te vangen. De zangvogels hebben uitsluitend aandacht voor hun aartsvijanden en zitten argeloos op de tak-achtige tangen. Ook laat een man enkele snippen in een mand glijden, maar het is enigszins raadselachtig hoe die zijn gevangen, want snippen jennen geen uilen. Misschien werden ze door jagers die met stokken zwaaien in de staande netten gedreven die achterin het beeld te zien zijn. Op de prent Moren belagen een struisvogel in Barbarije heeft de etser de struisvogel drie in plaats van twee tenen gegeven. Hij kon kennelijk niet geloven dat ze maar een teen verwijderd waren van het eentenig stadium zoals paarden dat kennen. De extra teen van deze struisvogels is te vergelijken met het lullige staartje waarvan Chinese schilders staartloze gibbons uit onzekerheid vaak voorzagen.

Dit is het sprookje van de verzamelaar en de zeventien kleurvlakjes: een kunstverzamelaar droomde ervan werk in huis te hebben van een van de schilders van De Stijl. Een Mondriaan was onbereikbaar, een mooie Huszar moeilijk te vinden, maar op een dag zag de verzamelaar een prachtige gouache van Van der Leck: de kleur was perfect, net als de verhoudingen van vierkanten, rechthoeken en driehoekjes waaruit het voorstellingsloze beeld was opgebouwd. De verzamelaar kon zich de aanschaf niet veroorloven, maar sloot een lening af en kocht de gouache. Enkele dagen later gebeurde er iets afschuwelijks. Hij kwam thuis, nam bijna devoot plaats tegenover de gouache en keek. Nog nauwelijks op adem gekomen, zag hij in de elementen waaruit de gouache is opgebouwd plotseling een geitenkop. Hij schrok, wilde dat het niet waar was, maar de geitenkop wist van geen wijken. De verzamelaar was zijn voorstellingsloze gouache kwijt. `Had dan een geit geschilderd als u zo nodig een geit moest schilderen', mompelde hij nurks, terwijl hij opstond, zijn blik afwendde van de gouache en stampvoetend door de kamer beende.

Uilen

Wat deze verzamelaar doormaakte, zal de bezoeker van de tentoonstelling niet snel overkomen. Er is geen enkel modernistisch werk dat bij eerste beschouwing voorstellingsloos is, maar waaruit bij een tweede bezichtiging plotseling een havikskop of een uilengezicht opdoemt. Moderne en hedendaagse kunstenaars van formaat illustreren geen vogelplaatwerken en gidsen meer. Iemand als Barnett Newman was een fervent vogelaar, maar een vogelafbeelding van zijn hand heb ik nergens kunnen vinden. Als hij ze al heeft gemaakt, dan beschouwde hij ze kennelijk niet als werk dat hij wilde laten zien. Anderen nemen misschien wel een vogel als uitgangspunt, maar niet met het doel een bepaalde soort te typeren.

Een wat afwezige bezoeker loopt de tentoonstelling in. Doorziet vrijwel onmiddellijk dat de helmcasuaris in de schemerige ruimte is opgezet en krabt kort met zijn rechterhand aan zijn slaap. Krabben dat werd ingeleid door die andere opwaartse beweging, het grijpen naar zijn afwezige verrekijker. Voelde hij zich enigszins belachelijk door zijn misoriëntatie? Zag hij dat ik het gebaar herkende? Dit was misplaatst grijpen dat vloeiend overging in misplaatst krabben. Hij maakte onmiskenbaar een oversprongbeweging. Niet wezenlijk verschillend van de haan die tijdens het vechten naar graantjes pikt, of de kluut die halverwege de strijd met een rivaal een slaaphouding aanneemt. Bij mensen zie je deze bewegingen vaak in restaurants, wannneer iemand tevergeefs de aandacht van een ober probeert te trekken. Op dat moment is er een innerlijk conflict tussen niet willen opvallen en de noodzaak om dat juist wel te doen. Spanning afreageren zou je dat krabgedrag in het dagelijks spraakgebruik noemen.

In de jaren vijftig bezorgde de gedragsbioloog en experimentator Piet Sevenster honderden driedoornige stekelbaarsjes een innerlijk conflict tussen seksuele- en agressieve drijfveren en kon op den duur, op elk gewenst moment, broedzorggedrag te voorschijn toveren. Zelfs bij dieren die nog helemaal niet aan het broeden waren, borrelde dat gedrag op. Stekelbaarsmannetjes die een even sterke neiging hadden een vrouwtje te bebaltsen als haar aan te vallen (vreemde dringt territorium binnen), ventileerden onverwachts hun lege nest met de borstvinnen: het oversprongwaaieren.

Al deed Melchior d'Hondecoeter geen ethologische experimenten, hij had, al drie eeuwen eerder dan de ethologen, overspronggedrag bij pauwen gezien. Dat is bijzonder, vooral omdat hij het moest stellen zonder fotografie of film, zodat hij geen gelegenheid kan hebben gehad dat vluchtige moment in alle rust te bekijken. Het kan haast niet anders of hij heeft eindeloos pauwen getekend, elke dag weer, bijna als een dagelijkse routine. Totdat hij op een dag niet vastlegde wat hij al wist, maar iets dat ongezien was. Hij maakte het zichtbaar in een prachtige tekening: twee pauwen die zijn verwikkeld in een agressieve confrontatie. Aan de linkerkant de triomfator met geheven nek, snavel agressief opengesperd in de richting van zijn rivaal. Rechts een tweede pauw met afgewende kop, die zijn staartveren poetst. Verzorging van het verenkleed is niet direct het gedrag dat je verwacht tijdens een gevecht, net zo min als broedgedrag voordat er iets te broeden valt. Dat de pauw die aan de verliezende hand is desondanks zijn veren poetst, komt vermoedelijk doordat de neiging om zijn rivaal aan te vallen precies even sterk is geweest als de aandrang om hem te ontvluchten. Dat d'Hondecoeter twee pauwen afbeeldde en niet alleen de triomfator of de verliezer, suggereert dat hij de context waarin oversprongpoetsen optreedt, heeft doorzien. Had hij alleen de poetsende verliezer afgebeeld, dan zou niemand het verschil hebben kunnen zien met een pauw die op zijn gemak zijn veren schoonmaakt.

Ongezien

Als een kunstenaar iemand is die zichtbaar maakt wat ongezien was, dan heeft d'Hondecoeter dat in deze tekening gedaan. Misschien is de tekening van het overspronggedrag van de pauwen zelfs wel het resultaat van iets dat lijkt op overspronggedrag in het hoofd van de tekenaar. Ik weet niet precies hoe ik het moet formuleren, maar zou er een analogie kunnen bestaan tussen slapen tijdens een gevecht en een creatief proces? Vaak als ik beeldend kunstenaars hoorde spreken over het doen van een ontdekking, moest ik aan overspronggedrag denken. Een kunstenaar, zeker een moderne of hedendaagse, heeft fixaties die constant door zijn hoofd spoken. Die kunnen met elkaar in strijd zijn en wanneer dat het geval is, dan zou het erom kunnen gaan ze zo te regisseren dat er zoiets als `vrije ruimte' ontstaat. De ruimte die nodig is om iets te kunnen wagen. Waar de een het heeft het over fixaties die met elkaar overhoop liggen, noemt een ander Goed en Kwaad die elkaar moeten opheffen, voordat het mogelijk wordt een werk te maken dat niet door morele overwegingen is belast. Een derde stuurt zijn hoofd naar een toestand die wordt benoemd als windstilte of blak water. Alleen dan kan er iets nieuws ontstaan. Juist niet stereotiep en in dat opzicht verschillend van een oversprongbeweging. Wie zich op onbegaan terrein heeft gewaagd en iets te pakken heeft, zal dat zelden direct beseffen. Want niet alleen het nieuwe is nieuw, ook het beet hebben voelt anders dan het beet hebben dat een maker eerder heeft beet gehad. Zou je het geraffineerd bespelen van fixaties, het onschadelijk maken van moraal, of het omzetten van chaos in `windstilte' of `blakke zee', niet het streven kunnen noemen naar `een slaaphouding tijdens het gevecht' in eigen hoofd? Ik weet het niet.

Af en toe loopt een toerist de tentoonstellingsruimte in en uit. De laatste vogelaars aarzelen, overspronggapend, tussen weggaan of blijven. Was de neiging van Van der Leck om af te beelden even sterk als zijn neiging om een voorstellingsloos beeld te maken? Als dat waar zou zijn, ontbrak het hem niet aan een innerlijk conflict, maar had hij er mogelijk moeite mee een geschikte slaaphouding te vinden tijdens het gevecht in eigen hoofd.

Op een Friese veenweide staat een kluwen vogelaars met de kijkers omhoog gericht. Daar, hoog in de lucht buitelt luid mekkerend een hemelgeit. Zou de verzamelaar zijn gouache terug hebben? Wie weet heeft Van der Leck zijn aanhoudende smeekbedes eindelijk verhoord.

*Op de tentoonstelling is werk te zien van Robert Havell Jr. (1793-1878) naar een illustratie uit Audubons `The birds of America'

Tentoonstelling `Vogels. Prenten, tekeningen en foto's', t/m 27 juni. prentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam. Dagelijks 10-17 uur. Catalogus, 56 blz. f20,-