Een loempia van schimmel en algen

Langs het weiland staat een rij bomen. Het zijn elzen en essen. Ze staan om en om. Eerst een els, dan een es, dan weer een els. Hun stammen zijn glad. De ene is lichtbruin, de ander wat donkergroenig. Op veel stammen zitten grote, groengrijze vlekken. Als je van dichtbij kijkt, zie je dat de vlekken bovenop de schors zitten, als een korst. En zo heten die vlekken dan ook: korstmossen.

Korstmossen zijn planten. Platte planten. Hun naam is eigenlijk verkeerd. Want je denkt dat het om een mos gaat. Dat klopt niet. Mossen zien er namelijk heel anders uit. Dat zijn eigenlijk miniatuurplantjes. Ze zijn groen, hebben een stengel en blaadjes. Ze leven in de schaduw in het bos, op rottend hout, in moerassen of venen. Korstmossen daarentegen vind je vooral op droge plekken. Op stoeptegels, dakpannen, bomen en rotsen. Korstmossen zijn weliswaar planten, maar ze hebben geen stengel. En ze kunnen allerlei kleuren hebben: grijs komt veel voor, maar ook oranje, geel, bruin, zwart en rood. Om de korstmos zit vaak een donkere lijn. Daarom heten ze ook wel kaart-korstmossen, vanwege hun gelijkenis met de plaatjes van landen in atlassen. Kijk maar eens goed, misschien vind je er een die op Nederland, Noorwegen of Zuid-Amerika lijkt.

Als je zo'n platte korstmos van boven naar beneden doorsnijdt en dan onder een microscoop bekijkt zie je iets dat lijkt op een doorgesneden, gebakken loempia. Buitenom zit een dikke korst. Binnenin krioelt het van de draden en de piepkleine erwtjes. Die draden, dat is geen taugé maar dat zijn draden van een schimmel. En de erwtjes, dat zijn allemaal algen. Een korstmos is dus het gezamenlijke bouwwerk van een alg en een schimmel.

Alg en schimmel zoeken elkaar op als de omstandigheden miserabel zijn, bijvoorbeeld als het koud is of erg droog. De alg vangt zonlicht op en maakt energierijke stoffen, de schimmel haalt mineralen uit de rots of de dakpan waarop hij leeft. Alg en schimmel gebruiken die stoffen niet alleen voor zichzelf, maar geven die ook aan elkaar. Zo helpen ze elkaar om te overleven. De korst beschermt hen tegen een fel brandende zon, tegen kou of droogte. Korstmossen overleven allerlei barre weersomstandigheden. Vorst, droogte of zinderende hitte. Je treft korstmossen daarom op veel plaatsen in de wereld aan. Op de Zuidpool, op hoge bergtoppen en in woestijnen. Zodra de omstandigheden wat gunstiger zijn en er weer voldoende voedsel is, laten de schimmel en de alg elkaar met rust en leven ze op eigen houtje verder.

In de bovenste korst zitten kleine poriën. Door deze gaatjes kunnen de algen en de schimmeldraden naar buiten. De wind blaast hen weg. Zo verspreiden korstmossen zich.

De vlekken op de elzen en essen zitten trouwens allemaal aan dezelfde kant. De westkant. Dat is de kant van de stam waar de regen meestal tegenaan klettert. Als je goed kijkt zie je kleine kleurverschillen. Op ooghoogte zit een groot stuk grijs korstmos. Maar iets verder naar beneden zit een gelig korstmos. En nog lager zit er weer een groene vlek. Op een boom kunnen wel vijftien verschillende korstmossen voorkomen. Zo'n boomstam is een stukje natuur op zich.