De edelschimmel der sadisten

John Fowles is zo'n schrijver waarmee je het als lezer behoorlijk aan de stok kunt krijgen.

John Fowles zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als de auteur van de onvoltooide romans. Hij mag dan een imponerend oeuvre op zijn naam hebben, de roman waarop zijn vaste lezersschare al sinds A Maggot (1985) zit te wachten, zal er zeer waarschijnlijk niet meer komen. Geruchten over minstens tien onvoltooide kolossen doen al jaren de ronde. In een interview uit 1995 vertelt Fowles dat hij weliswaar aan twee grote romans werkt, maar dat publiceren hem niet meer interesseert. Dat interview is opgenomen in Fowles' laatste boek, Wormholes (essays and occasional writings), een bundel non-fictie die teruggaat tot zijn beginperiode en in deze vorm het balboekje van Fowles' schrijverschap lijkt: literaire voorbeelden, autobiografische overpeinzingen, sociaal-humanistische bespiegelingen en opstellen over zijn liefde voor de natuur. Alle motieven kortom, die in Fowles' fictie zo nadrukkelijk, maar ook vaak onhandig het hof worden gemaakt.

Of publiceren John Fowles ondertussen werkelijk koud laat valt te betwijfelen, al was het maar omdat hij in datzelfde interview de hoop uitspreekt dat zijn dagboeken ooit zullen worden uitgegeven. De lezer is eerder geneigd te denken dat de schrijver worstelt met zijn grootste vijand: het slot van de roman. Daarenboven is Fowles ernstig ziek, en kunnen wij, vrees ik, niet anders meer dan ons troosten met de reeds gepubliceerde werken.

Het werk van Fowles is niet enkel een onuitputtelijke bron van speculaties voor de lezer, maar ook voor de schrijver zelf. In Wormholes vinden lezer én schrijver, ondanks de ontelbare, niet zelden uit verklaringsdrift geboren uiteenzettingen van de auteur meer vragen dan antwoorden. In dat interview uit '95, waarmee de bundel besluit, wordt de volgende vraag gesteld: `Hoe zou u de spanning willen beschrijven tussen vrije wil en determinisme in uw werk?' Antwoord: `Wil ik niet en kan ik niet! Al weet ik dat die spanning er is.'

Of al zijn lezers het antwoord op die vraag willen weten, valt te betwijfelen. Het merendeel heeft zich voornamelijk laten meeslepen door de lotgevallen van de personages. Fowles mag dan als een van de weinige Engelse romanciers minstens zo experimenteel zijn als de Amerikaanse post-modernisten, hij is tevens een van de weinige hedendaagse Europese schrijvers die zonder gêne teruggrijpt op het document humain. Dat hij daarbij in de loop van zijn oeuvre de historische roman op hoogstpersoonlijke wijze naar zijn hand heeft gezet maakt hem dan ook tot een eenling in het literaire landschap van na de oorlog: een verteller die zichzelf is blijven vernieuwen, maar het verhaal nooit onder het experiment heeft laten bezwijken.

Oscar Wilde

Fowles is altijd een buitenbeentje geweest in de Britse literatuur. `De enige Engelsman met een zwak voor Frankrijk', heeft hij zichzelf wel eens genoemd. Zijn werk is doortrokken van Jungiaanse psychoanalyse, existentialisme, barok, politieke stellingnames en vormvondsten die mijlen ver van Oxford liggen. Zijn grootste inspirators zijn schrijvers die - terecht, mag men wel zeggen - volkomen uit de gratie zijn (D.H Lawrence en Alain-Fournier, wiens Le Grand Meaulnes door sommige van Fowles' vrienden met een scherpe blik hertiteld is tot `The Great Moan'). En zijn geworstel met verloren paradijzen neemt in de meeste van zijn werken zulke bloedstollend serieuze vormen aan dat de Britse lezer zich wel eens afvraagt of Fowles tijdens zijn studie Oscar Wilde heeft overgeslagen. Punt is echter dat Fowles er prat op gaat geen Brit te zijn. (Britten lijden namelijk aan expansiedrang.) Een Engelsman, ja, zo mogen we hem nog wel noemen. En wie het werk van Ian McEwan, Martin Amis en Julian Barnes leest, ziet de invloed van Fowles op de Engelse literatuur. Bij McEwan is die invloed zelfs zo groot dat de lezer wel eens het gevoel krijgt aan het déjà vu-syndroom te lijden.

Ook voor Europeanen is Fowles een schrijver met wie je het, al lezend, behoorlijk aan de stok kan krijgen. Wormholes bezorgde mij in ieder geval diezelfde mengeling van aversie en bewondering die Fowles' fictie altijd bij me losmaakt. Bewondering voor de stijl, de hoogstpersoonlijke vormgeving en de magie van de paradoxen waar Fowles' werk zo zwaar op leunt, aversie tegen de psychologie van de hete kolen, de humorloosheid en de politieke strekkingen.

Fowles wil begrepen worden, getuige zijn verklarende opstellen over zijn werk sinds het begin van zijn carrière, maar zijn werk is nu juist altijd doordrenkt van mysteries. Dat botst, om het eenvoudig te zeggen. Berucht is de gereviseerde versie van Fowles' grote roman The Magus. Tien jaar na verschijnen werd er een tobberig voorwoord aan toegevoegd en Fowles veranderde enkele scènes, waaronder het slot. Kort gezegd komt het hier op neer: eerst liep dat boek slecht af. Tien jaar later kreeg de roman een `open einde'. Het lijkt een geste naar het publiek, dat klaagde over de duistere geest van de roman, maar hier is meer aan de hand.

De herziene Magus verscheen in 1978, precies een jaar na Fowles' meest toegankelijke, en vooralsnog enige Anglo-Amerikaanse roman Daniel Martin (een boek waar Martin Amis onder andere voor Money rijkelijk uit heeft geput). In dit boek is de held een mislukte schrijver die zijn ziel aan Hollywood verkocht heeft. Prachtig zijn de beschrijvingen van diens jeugd in Devon, hemeltergend zijn de Waugh-achtige beslommeringen van de studietijd, formidabel zijn de dialogen en onvergeeflijk is het slot van de roman: het happy end.

En hiermee komen we op gevaarlijk terrein. Daar Fowles sinds het begin van zijn schrijverschap met veel aplomb die nu in Wormholes gebundelde opstellen publiceerde waarin hij linken legde van zijn werk naar zijn leven (om uiteindelijk zelfs met alle plezier te beweren dat de psychologische ontwikkeling van de protagonisten in zijn grote romans als een verkapt zelfportret in afleveringen gezien mocht worden) trokken we de wenkbrauwen ver op toen we in Daniel Martin op een enorme uiteenzetting stuitten. Daarin wordt een pleidooi gehouden voor het `happy end', opgehangen aan de hierboven opgesomde typische Fowles-motieven, en resulterend in de conclusie dat een boek dat slecht afloopt getuigt van intellectueel snobisme en modieus gedrag, van `cultural fashion, élitist guilt, existentialist nausea, the imagined that does not say the real'. Hoewel gruwelijk boeiend, voor wie in literair-ambachtelijke drijfveren geïnteresseerd is, werpt dit hoofdstuk een schaduw over deze zo onderhoudende roman, en tot ons afgrijzen loopt Daniel Martin goed af, op een wijze die te geforceerd voor woorden is: `ze krijgen elkaar'. Hetzelfde slot, hoewel minder obsceen geschetst, treffen we in de herziene Magus: tegen alle wetten van deze roman in wordt de mogelijkheid dat `ze elkaar krijgen' alsnog in het boek geschreven.

Of Fowles hier zelf een vorm van socialistische gerechtigheid in ziet, is meer iets voor biografen. In alle onbenulligheid stelt de held in Daniel Martin dat een roman met een happy end vooral als een politiek correct en smaakvol kunstwerk moet worden gezien, en de lezers van The Magus krijgen van Fowles meer dan tien jaar na het verschijnen van deze wonderlijk wrede roman een slot dat al het voorafgaande bijna absurd maakt.

Schaamde Fowles zich voor zijn satanische roman? Vond hij dat zijn werk voortaan socialistisch en humaan zijn moest? En zou een dergelijke combinatie moeten uitmonden in publieksvriendelijke, optimistisch stemmende slothoofdstukken? Tenslotte bood hij de lezer van The French Lieutenant's Woman (1969) al drie opties voor het slot. Dit leek toen een postmodern grapje, maar na Daniel Martin ga je daar toch anders over denken.

Egocentrisch

Voor opheldering keren we terug naar Wormholes, en wel naar het voorwoord, tot op heden de laatste bespiegeling van Fowles over het schrijverschap. Schrijvers zijn, zo stelt Fowles, `professionally, often foolish and blindly, egocentric'. En verderop: `We cannot escape this archetypical need, often against all social and political belief, to cling to our eachness, our very own individuality. It is in a sense that `noble rot' which we esteem in certain wines, fruit, and cheeses.' (`We kunnen niet aan deze archaïsche behoefte ontsnappen, vaak tegen alle sociale en politieke opvattingen in klampen we ons vast aan onze uniciteit, onze hoogstpersoonlijke individualiteit. Het is in zekere zin die `edelschimmel' die we weten te bereiken in sommige wijn, fruit en kazen.)

Een prachtig begrip: `Noble Rot'. En gelukkig maar dat deze artiest niet ontkomt aan zijn individualiteit, ondanks zijn larmoyante geweten. Die edelschimmel die artistieke motieven doet rijpen is in Fowles' werk tenslotte verantwoordelijk voor de best geportretteerde personages (en decors): de sadisten.

Het beste voorbeeld stamt uit Fowles' periode voor de ommekeer. In de beroemde en briljante novelle The Ebony Tower ('74) weet een oude schilder, reactionair tot op het bot, een modieuze, talentloze knaap te vermorzelen onder zijn donderpreken. De jonge, beteuterde modernist druipt af met een verse walging voor abstracte kunst (`omdat die de natuur zou verloochenen') en een diepe existentialistische walging jegens een leven zonder artistieke woede, hoe onbarmhartig en politiek incorrect die woede ook zijn kan. Hier heeft Fowles zijn ingrediënten perfect verdeeld over de personages en de paradadox is volmaakt. De lezer begint opnieuw te lezen om te kijken met wie hij in godsnaam heulen moet.

Maar ook in zijn andere werken is dankzij die edelschimmel een kwaadaardige macht (lot of plot) aanwezig: in The Collector de man die een meisje ontvoert, in The Magus de magiër die met satanisch genoegen god speelt en louter om het existentialistische spel mensen manipuleert tot ze ten gronde gaan (althans in de eerste versie), in Daniel Martin het leven zelf (tot dat onverteerbare einde de boel goedpraat), in The French Lieutenant's Woman de Victoriaanse geest, en in A Maggot de steile kerk in de 18de eeuw die een nieuwe religieuze stroming vervolgt.

En dat dit sadistische universum onontkoombaar is, blijkt weer uit Fowles levenslange obsessie met het verloren paradijs. `The universal condition of mankind is a state of loss', schrijft hij in het voorwoord bij de herziene Magus. `Een geluk voor de schrijver, een ramp voor de mens', oordeelt Fowles. En zo kan een schrijver die in zijn werk steeds meer betrokken raakt bij de ziel en zaligheid van de mensheid zich schaakmat schrijven.

A Maggot (1985) is in bijna alle opzichten voorbeeldig: spannend als een X-file (inclusief een mogelijke ontvoering door buitenaardse wezens), vormgegeven als een thriller, van onberispelijke historische decors voorzien en volkomen op de hand van de heilige waan van het individu. Maar dan. Om de roman samen te vatten komt Fowles met een hemeltergend epiloogje waarin de schrijver zijn motieven nog eens bondig samenvat: slechts tijdens de oerknal van een nieuwe religieuze beweging kan de mens helder zien `wat er aan de wereld schort'. Fowles heeft klaarblijkelijk geen idee van de kracht van zijn werk en beschouwt zijn lezers bovendien als idioten.

Thriller

Deze sociaal-humanistische obsessie van Fowles mag dan een van de drijvende krachten achter zijn schrijverschap zijn, zij lijkt ook verantwoordelijk voor de bedenkelijke wijze waarop veel van Fowles' werk afloopt. Zijn meest boeiende literaire motieven – de thrillerelementen, en het door determinisme én vrije wil bepaalde sadisme in de mens – krijgen, vooral na het lezen van Wormholes, het karakter van `ambachtelijke ingrediënten' opgedrongen. Terwijl de bezetenheid waarmee ze in het werk aanwezig zijn een dergelijke koelbloedige berekening van de schrijver ongeloofwaardig maakt, helemaal daar Fowles zich een gemankeerd dichter waant en de romanvorm als noodzakelijk kwaad beschouwt om nog iets met zijn liefde voor literatuur aan te kunnen.

Het is precies deze krakkemikkige visie op zijn eigen werk die me stoort bij het lezen van Fowles, en die me in Wormholes wederom tegen de borst stuit, helemaal omdat dit gebrek aan inzicht in Fowles' non-fictie gebracht wordt met een poging tot tongue in cheek die hopeloos mislukt: `Ik heb nergens echt voor doorgeleerd en roep maar wat'. Daar staat tegenover dat de man stilistisch gezien een van de grootsten van deze eeuw is en zo prikkelend en bezeten schrijft dat je, als hij eenmaal beet heeft, zelfs de meest malle psychologietjes voor lief neemt.

Het blijft dus een onverteerbaar idee te weten dat Fowles al jaren lang twee immense romans `weigert' te voltooien: Hellugalia, een roman die zich afspeelt op de Balkan, en Tesserae, een nieuwe poging het Amerikaanse existentialisme uit de jaren vijftig vorm te geven. Beide romans zouden niet enkel de honger naar de stijl en de magie van Fowles' fictie kunnen stillen, maar vooral kunnen illustreren of des schrijvers Noble Rot ondertussen zo rijp geworden is dat het werk van de eerste tot de laatste hap smaakvol blijft.

John Fowles: Wormholes (essays and occasional writings) Uitg. Henry Holt, 404 blz. Prijs ƒ45,85.