Amsterdamse stille in Walhalla

Amsterdam is het walhalla van valsemunters, hoeren, drugshandelaren, euthanasie-plegers en illegalen. Het afgelopen jaar hebben maar liefst drie buitenlandse auteurs een roman in Amsterdam gesitueerd om dit soort zaken een logische plaats in hun verhaal te kunnen geven: John Irving met A Widow For One Year, Ian McEwan met Amsterdam en Martyn Bedford in The Houdini Girl. Ook de nieuwe thriller van Gerben Hellinga, De Stille, speelt zich af in Amsterdam, maar opmerkelijk genoeg heeft hij van de vier auteurs het minst oog voor de kleurrijke kenmerken van de stad. Hellinga's Amsterdam is hard, grauw en onveilig, vooral voor politieagenten.

Hoofdpersoon van De Stille is rechercheur Paul Steenman, een doorgewinterd dievenvanger. Hoewel Hellinga van bijna alle locaties en personen nauwkeurige beschrijvingen geeft (van een huis worden soms zo veel details genoemd dat het lijkt alsof je het als lezer moet kunnen terugvinden), blijft het voorkomen van Steenman schimmig. In de loop van het boek leren we door de reacties van anderen, vooral vrouwen, dat Steenman een soort blonde God moet zijn. Gescheiden, samenwonend met een tienerdochter, voor wie hij voorbeeldig zorgt. Verder is Steenman rechtschapen, loyaal en onvervaard – met als enige zwakte misschien die van het vlees.

Het verhaal van De Stille valt in twee `zaken' uiteen. Parallel aan die twee kwesties ontwikkelt zich het personage Steenman. De eerste zaak – valsemunterij en de moord op zijn maat – betekent zijn teloorgang, de tweede – een vermoorde rechercheur – helpt hem er weer bovenop. Al lijkt De Stille in eerste instantie te draaien om speurwerk en intriges, die geloofwaardig worden gepresenteerd met gebakkelei bij het koffiezetapparaat en gekonkel op het bureau, Hellinga's interesse blijkt gaandeweg vooral te liggen bij de persoon Paul Steenman. De speurder is er niet voor de plot, de plot is er voor de speurder. Zíjn motivatie probeert Hellinga te tekenen: waarom hij na de dood van zijn compaan aan de coke en de wodka raakt, en zijn dochter verwaarloost. Waarom hij een rammelig avontuurtje heeft met een beeldschone officier van justitie. Waarom hij zich terugtrekt in IJmuiden op een dieet van druiven en kippenbouillon.

Om Steenmans ontwikkeling aannemelijk te maken psychologiseert Hellinga nauwelijks. Integendeel, zijn stijl is simpel en boud, net als waarschijnlijk Steenmans karakter. Hij voelt zich `zo eenzaam dat hij van narigheid maar gaat slapen', en een vrouw is `zo mooi als een actrice of een mannequin'. Soms is Hellinga archaïsch (Steenman staat ergens in een `gelagkamer') en een enkele keer clichématig (`Ze schudde teleurgesteld haar krullen' - hoe doe je dat?), maar zijn directe taal geeft het verhaal vaart.

De misdaden die Steenman ondertussen vaardig oplost zijn op zichzelf niet erg spannend of ingenieus. Ze zijn eerder een smakelijke aaneenschakeling van het soort duistere zaken waar Amsterdam patent op heeft: seropositieve homo-hoertjes die zelfmoord plegen, Russische mafiosi die aan de cocaïne verslaafd zijn, onbetrouwbare pizzakoeriers. Op één punt wordt Hellinga's Sodom-schets te grotesk; als hij ons wil doen geloven dat corrupte dienders in de fietsenstalling van het wijkbureau Oost meisjes en jongens aanbieden om `in de baas zijn tijd een wip mee te maken'. Vooral die locatie wekt bevreemding. Wie zoekt nou zijn heil in een fietsenstalling, als er, zoals Hellinga ook beschrijft, binnen loopafstand allerlei comfortabele bordelen te vinden zijn?

Gerben Hellinga: De Stille. Bert Bakker, 317 blz. ƒ29,90