Waar de horizon verdwijnt

Het grootste zoutmeer ter wereld ligt in het zuidwesten van Bolivia. Salar de Uyuni is de naam. Met een oppervlakte van ruim twaalfduizend vierkante kilometer is het bijna half zo groot als België. In het midden ligt een eiland vol gigantische cactussen waar Alfredo Lázoro Icona zich zes jaar geleden als kluizenaar vestigde. Een reisverslag.

De Inka's vereerden bergen als goden die, alvorens versteend de eeuwigheid in te gaan, op aarde leefden. Nog steeds doen hun mythes de ronde in Bolivia. Zo leefde er vlakbij de grens met Chili een zekere Thunupa. Nu een vulkaan van 5490 meter hoog, vroeger een zeer aantrekkelijke godin. Zo mooi was Thunupa dat ze er twee minnaars op na kon houden, Cosuña en Cora Cora. Ferme knapen, inmiddels twee bergen aan de zijde van de vulkaan. Met Cora Cora kreeg de schone godin een kind. Hun relatie raakte daarna echter danig in het slop. Cosuña greep zijn kans en verleidde Thunupa. Cora Cora kon dat maar matig waarderen en uit wraak ontvoerde de god hun baby en verdween. Thunupa werd ziek van verdriet. Haar borsten vol moedermelk hadden geen nut meer. Ze druppelden leeg, in het aangrenzende meer Michin, dat daardoor wit kleurde. Zo ontstond, meent gids Simeone Mayorez nog steeds, Salar de Uyuni, het grootste zoutmeer ter wereld.

De tocht naar deze vlakte begint op een oud station in La Paz, vanwaar bussen vertrekken naar alle delen van Boliva. Bestemmingen van vertrekkende voertuigen worden door het gebouw geroepen. `Sucre, Sucre, Sucre' overstemt `Potosi, Potosi'. Wij volgen zo'n schreeuwerd, nog geen acht jaar oud, naar het kantoor van Jumbobus del Norte. Een kaartje is makkelijk te krijgen, het wachten op wisselgeld duurt in Bolivia veel langer. Half vol rijdt de bus door de buitenwijken van La Paz waar nog een aantal passagiers geduldig wachten. Hier is de weg al slecht. De situatie zal alleen maar erger worden.

Na 230 kilometer, een rit van van zo'n vier uur over zeer slecht begaanbare wegen, komen wij in de voormalige mijnstad Oruro aan, ruim 3700 meter boven zeeniveau. De weg tussen Oruro en Uyuni is zo onbegaanbaar dat de maatschappijen uit La Paz hun redelijk goede bussen er niet aan wagen. De route wordt beheerd door drie andere vervoersbedrijven. Hun voertuigen zijn verschrikkelijk: doorgezakte stoelen, geen verwarming en kapotte ramen waar in de winter aan de binnenkant de wasem bevriest. Wel een krachtige motor. Een vereiste om vooral in het regenseizoen tegen de modderige heuvels op te komen. De rit duurt normaal tien uur, met slecht weer verstrijken er al snel dertien. De maatschappijen rijden alleen 'snachts omdat tijd sneller lijkt te gaan wanneer je slaapt. De nachtrust is voor de Westerse toerist door de kou, de stank of de irritatie echter moeilijk te vatten. Pure horror.

Gelukkig zijn er nog de treinen van Expresso del Sur. Twee keer per week vertrekt vanaf het station van Oruro een luxe trein die Uyuni aandoet. Snel, comfortabele stoelen, televisie en een restauratiewagon, een van de meest luxueuze treinen van Zuid-Amerika. Zeer aangenaam, zeker als je ooit eerder de busrit hebt gedaan. Om twintig minuten over tien klinkt voor ons het fluitje. We vertrekken, slechts tien minuten te laat. We reizen Premier-klasse, een schijntje duurder dan `salon', maar uitgerust met betere stoelen en een televisie. Als daarop echter, met de volumeknop op `oorverdovend', een Boliviaanse `komische' film wordt uitgezonden, is het voordeel van de aanwezigheid van het toestel snel vergeten.

Na zo'n vijf uur, ruim een half uur voor aankomst in Uyuni, komt het zoutmeer in zicht. Spectaculair is echter wat je níet ziet. De reflectie van de zon op de zoutvlakte laat de horizon verdwijnen. Als een luchtspiegeling hangt het gebergte in een vacuüm. Zwevende bergen. Geen wonder dat de Inka's dachten dat het goden waren.

Uyuni blijkt een dorp als uit een oude Western. Nergens is beschutting en in de wintermaanden heeft de gure wind vrij spel. Verkeer is er nauwelijks. Een paar vrachtwagens, bussen en jeeps om toeristen naar de zoutvlakte te brengen. Het dorp werd ooit opgericht door een coöperatie van dertig families. Zij zijn de enige mensen die zout winnen op de Salar en het grove product in Bolivia en Brazilië verkopen.

Bij Colchani, 25 kilometer van Uyuni, rijden we het zoutmeer op. Stel een geheel bevroren IJsselmeer voor. Aan de buitenkant van de Salar is het zout zo'n dertig centimeter dik, in het midden wordt gemakkelijk acht meter gehaald. In de verte zijn ontelbare piramidevormige heuveltjes te zien. Deze bergjes zout zijn door de mannen uit Colchani bij elkaar geveegd zodat de zon haar verdampende werk kan verrichten. Het zout wordt verder gedroogd in kleine oventjes aan de rand van het meer.

Theodore Colge woonde vroeger in Colchani. Hij meende dat er meer geld te verdienen moest zijn met het zout. Dus gebruikte Theodore het als grondstof voor zijn hotel op het meer. Alles is daar van zout. De muren, stoelen, tafels, bedden en bar. Voor twintig dollar kan een nacht worden doorgebracht. Zaken gaan goed. Een nieuw hotel is in aanbouw. Een noodzaak want zout is niet het meest solide materiaal. De felle zon droogt de blokken zout uit, de stevige wind erodeert vervolgens de muren. Het huidige hotel heeft een verwachte levensduur van tien jaar.

We passeren het logement en zetten koers richting Isla Pescado, een eiland in het midden van het meer. Onze gids Simeone gebruikt de bergen als coördinatiepunten. De Salar is 12.550 vierkante kilometer groot, volgens de meest recente berekeningen van universiteit San Andres in La Paz. Ter vergelijking, de oppervlakte van geheel België is 30.514 vierkante kilometer. Een goede gids is noodzakelijk. Het zal niet de eerste keer zijn dat een groep toeristen door de schuld van een slechte chauffeur verdwaalt en rondrijdt tot de benzine op is. ,,Aan de rand van het meer is een interneringskamp'', vertelt Simeone. ,,Soldaten die een misdaad begaan, zitten daar hun tijd uit. Sommigen ontsnappen en willen over het zoutmeer naar de vrijheid lopen. Veel van hen verdwalen echter, ze kunnen de bergen niet lezen. Uiteindelijk drogen ze uit of verhongeren. Per jaar vinden er wel tien soldaten de dood.'' Een andere gevaar zijn `de ogen van de Salar'. Als wakken in zwak ijs, ontstaan doordat opborrelend zuurstof aan het zout knabbelt, wachten deze gaten tot een jeep over hen heen rijdt. Het voertuig zakt dan onherroepelijk door de zoutlaag. In de regentijd, als de vlakte onder water staat waardoor sporen van andere voertuigen en de wakken niet zichtbaar zijn, komt een jeep regelmatig vast te zitten. ,,Ruim tien jaar geleden schoot er een voertuig onder het zout'', weet de gids opgewekt te vertellen. ,,Alle inzittenden verdronken. De auto is nooit teruggevonden.'' Niet geheel gerust meer rijden we verder.

Waar de naam Isla Pescado (Spaans voor `viseiland') vandaan komt, weet niemand. Er zijn twee theorieën. Toen de Salar nog Michin heette en volledig uit water bestond, gebruikte vissers het eiland als thuisbasis. Anderen menen dat het eiland van bovenaf gezien de vorm van een vis heeft. Zelfs Alfredo Lázoro Icona weet het niet en hij woont er. ,,De cactussen bewaken'', antwoordt hij als hem naar zijn belangrijkste bezigheid wordt gevraagd op dit minieme eiland, met een doorsnede van maximaal vijfhonderd meter. Isla Pescado is bezaaid met de planten. Allemaal reusachtig groot. De oudste op het eiland meet tien meter, en ze groeien slechts zo'n zes millimeter per jaar.

Zes jaar geleden verruilde Alfredo zijn geboortedorp Lyca, aan de rand van de zoutvlakte, voor de rust van het eiland. Alleen. Zijn vrouw voegde zich pas na twee jaar bij hem. ,,Dat gaf niet'', aldus Alfredo. ,,Want mijn hond Capitan was de eerste jaren bij me.'' Het begin bleek echter niet makkelijk. ,,De jeeps met toeristen brengen nu weleens boodschappen voor me mee. Vroeger waren die er niet'', vertelt Alfredo. ,,Ik moest een keer per week voor mijn boodschappen zelf naar Uyuni. Op de fiets, want een auto had ik niet. De dichtstbijzijnde zoetwaterbron was veertig kilometer weg. Ik fietste 's nachts omdat het overdag al snel te heet was. Met de gevulde jerrycan was er genoeg water voor twee dagen.''

Niet alleen bewaakt Alfredo het eiland, hij verkoopt ook snacks plus bier aan de passerende toeristen en verhuurt zich als gids. ,,Mijn grootste droom is om een gedetailleerde kaart van de Salar te maken'', legt hij uit en toont een schets. ,,Ik rij het hele meer af en ben bijna op alle 75 eilandjes geweest. Er ontbreken nog maar zes op mijn kaart. Met hun moeder hebben ook zijn drie zonen zich op het eiland gevestigd. Zij staan klaar om een boliviano te beuren van eenieder die het provisorische toilet (wanden van gedroogde cactussen) gebruikt. Zij willen zo snel mogelijk weg. Als ze eenmaal volwassen zijn gebeurt dat ook, verzekeren de jongens. Een leven tussen de mensen. Alfredo begrijpt dat niet. ,,Ik ben nu 56 jaar en zal nooit meer ergens anders wonen. Dit is mijn vaderland. Laat mij maar alleen.''

Ook hij kent de mythe van Thunupa en haar minnaars. In tegenstelling tot Simeon geloof hij niet dat de Salar zo is gevormd. ,,Welnee, ruim 10.000 jaren geleden verdampte er opeens veel water. Het overblijvende water in het meer raakte zodoende verzadigd met zout en zette dat teveel aan zout af. Zo ontstond de vlakte; al is het verhaal van Thunupa mooier.'' Hij denkt even na en lacht. ,,Als ik hier lang genoeg blijf, versteen ik misschien ook wel. Dan kan ik zelfs na dit leven op het eiland blijven.''