Vechten om plaats in trein naar veiligheid

Een groep van ongeveer duizend vluchtelingen kwam gisteren gezamenlijk de grens met Macedonië over, uitgeput en aangeslagen. `Maar hier ben je veilig, zuster.'

In het schooltje hoog in de bergen van West-Macedonië klinkt een indringende kreet. ,,Niet weer, niet weer'', schreeuwt een vluchteling uit Kosovo. Hij wil niet nog een keer zijn naam en al zijn verblijfplaatsen in de afgelopen tijd opgeven. De Macedoniër Zenjnel Hajdini toont begrip. ,,We komen straks langs'', zegt de etnische Albanees. Hij coördineert het onderbrengen van gevluchte volksgenoten in zijn gebied.

Het schooltje bevindt zich in Xhonovica, een gehucht in de buurt van van Osticar. Moe en verslagen zitten de gevluchte oude mannen, vrouwen en kinderen in de houten schoolbanken. Een aantal jonge mannen staat in groepjes druk met elkaar te praten. Pakjes sigaretten gaan van hand tot hand. Na de opmerking van Hajini loopt het klaslokaal leeg. De 58 vluchtelingen verdwijnen in de donkere avond op weg naar een verblijfplaats in het bergdorpje met nog geen 200 inwoners.

Een kwartier later ligt Hajdini op zijn knieën in de huiskamer van een boerderij. Op een lijst noteert hij de namen van de mensen die worden opgevangen door het boerengezin Saiti. Ali Asani, 43 jaar oud, stelt zijn moeder, zijn drie broers, zijn zuster, zijn vrouw en zijn twee kinderen voor aan Hajdini. Als laatste schrijft hij de naam van de 24-jarige Hasan op, die zich heeft aangesloten bij de familie Asani. Hasan is niet in staat om één woord uit te brengen; elke keer als hij een poging doet, schieten zijn ogen vol tranen en verbergt hij zijn gezicht in zijn handen. Hasan is alleen gevlucht, zijn familie bevindt zich nog in Kosovo.

Het is tien uur 's avonds. De familie Asini en Hasan zijn nu twee etmalen onderweg. Maandagavond hoorden ze van de Servische autoriteiten dat er woensdag een trein zou vertrekken van Priština, de hoofdstad van Kosovo, naar de Macedonische hoofdstad Skopje. Ze zouden niet worden lastiggevallen en de reis was gratis. Een dag later, vroeg in de morgen, verlieten de acht volwassenen en twee kinderen hun laatste woonplaats Mitrovica en gingen te voet naar het 35 kilometer verderop gelegen Priština. ,,Zwijgend,'' zegt Ali. Alleen zijn dochtertje zei af en toe wat. ,,Is het nog ver?''

Om zeker te zijn van een plaats in de trein, brachten ze de nacht door op het station. Ze deden geen oog dicht. Serviërs in zwarte uniformen en met zware laarzen patrouilleerden en provoceerden de hele nacht. Ze vertellen hoe onder veel geschreeuw en lawaai een jonge vrouw werd meegenomen naar een kantoor; de deur werd dichtgegooid, het raam open gezet. Veel vrouwen werden onzedelijk betast, ook Ali's echtgenote. Uitdagend keken de Serviërs hem daarbij aan. ,,Als ik één vinger naar haar zou hebben uitgestoken, hadden ze me afgemaakt'', mompelt Ali. ,,Ik wil met mijn familie overleven, ook al gaat het ten koste van mijn eer.'' Als de tolk zijn woorden vertaalt, knijpt zijn vrouw hem in zijn hand.

Lang, zeer lang duurde het wachten voordat ze gisteren de trein in mochten. ,,Toen de deuren eindelijk opengingen, was er geen houden meer aan. Gezinnen vochten zich naar binnen. Er waren veel te weinig plaatsen.'' Mensen die zich aan de buitenkant van de deuren hadden vastklampt, werden weggeschopt.

In het zicht van de grens stopte de trein. De laatste kilometers moeten te voet worden afgelegd. Vanaf Macedonisch grondgebied is te zien hoe een lange rij van zo'n duizend mensen de grens overschrijdt. Bij de grenspost moeten alle mannen hun paspoorten en identiteitspapieren inleveren; de vrouwen worden beroofd van hun sieraden. ,,Ik stond te trillen op mijn benen'', zegt de moeder van Ali. Ze wijst met haar ringvinger naar de onderkant van haar voortand: goud. ,,Ik was bang dat ze hem er uit zouden slaan.

Even over de grens strijken de vluchtelingen neer op een veld tussen de spoorlijn en de snelweg die Skopje met Priština verbindt. ,,Macedonië?,'' vraagt een man smekend. Wanneer iemand van het Rode Kruis bevestigend antwoordt, valt de man hem lachend in de armen. ,,Thank you, thank you.''

De langgerekte, compacte mensenmassa waaiert uiteen. Iedereen zoekt zijn familie op en gaat zitten in het gras. Aan de uiterste rand zitten twee vrouwen, Elrame (30) en Sejtin (36). De twee zussen zijn de grens over gevlucht met acht kinderen. Ze hebben een zwerftocht van zeven maanden in Zuidwest-Kosovo achter de rug. Hun mannen zijn achtergebleven in de bergen; ze zijn strijders in het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK). Elrame, ravenzwart haar en een ingevallen gezicht, zit op een blauwe tas met het opschrift `New York'. ,,Toen de bombardementen begonnen, raakten de Serviërs in ons dorp Oplik buiten zichzelf van woede. Wie op straat kwam, was zijn leven niet zeker. Ik zag een vrachtauto vol met lijken, die luid toeterend door het dorp reed. Mensen hebben hun doden in de tuin begraven omdat de weg naar de begraafplaats niet veilig was.''

De twee vrouwen zeggen de aanvallen van de NAVO te steunen, maar dat ze niet begrijpen waarom geen grondtroepen zijn ingezet. ,,We zijn zeven maanden op de vlucht, maar na de bombardementen sloeg de vlam in de pan. Waarom bleef de NAVO in de lucht. Waarom waren ze niet op de grond?'' Sejtin hoort haar zuster stoïcijns aan en rookt de ene sigaret na de andere. Als ze de mobiele telefoon ziet, grist ze een adressenboekje uit haar binnenzak en wijst een nummer aan. ,,Sister, sister, sister''. Maar haar zus die al jaren in Skopje woont, neemt niet op. Ze zegt dat ze haar drie kinderen wil achterlaten bij haar zus en dat ze dan weer terug gaat naar haar ouders. ,,We hebben ze in de kelder verstopt. Ze zijn te oud om nog te vluchten. Ik moet terug.''

Aan de grens houdt de Macedonische regering zich nagenoeg afzijdig bij de opvang van vluchtelingen; de organisatie is volledig in handen van etnische Albanezen en het Rode Kruis. Grote plastic zakken met brood worden aangevoerd. Flessen water en chocola voor de kinderen. Terwijl de kinderen voetballen met de lege flessen en achter elkaar aanrennen, vertellen volwassenen hun verhaal. Mafia draagt een hoofddoek en drie jassen over elkaar. Ze woonde met haar man en zes kinderen in een boerengemeenschap even buiten Rutnik, ten westen van Priština. Een half jaar geleden moesten ze hun televisie en radio inleveren bij de Servische autoriteiten en werd de telefoon afgesneden, maar het geweld leek aan de boerengemeenschap voorbij te gaan. Tot twee weken geleden. Midden in de nacht werden de 39 bewoners uit hun bed gelicht en bijeengedreven in de stal van de boerderij van Mafia. De zwaarbewapende Serviërs in zwarte uniformen dwongen hen om te knielen en ze moesten toekijken hoe de dochter van Mafia werd verkracht. ,,Mijn man kon het niet aanzien. Hij wendde zijn hoofd af. Ze schoten hem direct dood.''

Ze praat in staccatozinnen. ,,Het dorp staken ze in brand. Over een half uur komen we terug, dreigden ze. Dan knallen we iedereen af. We hadden zelfs geen tijd meer om mijn man te begraven.'' En haar dochter? Ze draait haar hoofd naar links en knikt. Een vrouw met lang lichtblond haar in een lange blauwe jas staart apathisch voor haar uit. Haar ogen zijn dood.

Ali Asani speelt met zijn zoontje van drie. Een half jaar zijn ze al op de vlucht. De elektriciën uit Durakovac heeft zo'n zes verblijfplaatsen in die periode gehad. ,,We kregen vaak een huis toegewezen van mensen die op de vlucht waren. Daar bleven we totdat Serviërs ons weer verjoegen en verordonneerden waar we naar toe moesten.'' Zijn moeder neemt het woord over. ,,In Polac leefden we met nog twee andere gezinnen in een huis dat pal naast de weg stond. Als het donker was, scheurden Servische tanks en auto's zonder licht langs de weg. Nachtenlang heb ik geen oog dicht gedaan. Ieder moment kunnen ze je komen halen. Mijn zuster woonde met haar man en kinderen in een dorp waar op een nacht de mannen van de vrouwen en kinderen werden gescheiden en meegenomen. Ze heeft niks meer van haar man en twee zonen gehoord.'' Ze grijpt de arm van haar zoon. ,,Mijn man is vier maanden geleden gestorven aan kanker. Ik ben blij dat deze ontberingen hem bespaard zijn gebleven.''

Aan het eind van de middag worden de mensen langs een steile helling naar de snelweg gebracht. Een man van 100 jaar is voor elke camera geweest. Als een van de laatsten klimt Hasan Pidri omhoog. In zijn armen draagt hij een baby. Hij woont in Skopje en de afgelopen week is hij elke dag naar de grens gegaan om zijn volksgenoten uit Kosovo te helpen. Boven aangekomen geeft hij de baby aan de moeder. ,,Deze heeft het gered. Maandag kwamen er twee gezinnen over de bergen met ieder een dode baby. Ze wilden de kinderen niet in Kosovo begraven, maar in een vrij land.''

Hasan wenkt, hij steekt de weg over en na een kleine klim wijst hij twee graven aan. Onder een boompje zijn twee rechthoeken, gevormd door een smalle stenenrij. Hasan prevelt een gebed. Hij maakt het snel af want hij hoort het agressief getoeter van autobussen. Hij snelt naar beneden en hoort dat de vluchtelingen niet in de bussen willen, omdat ze bang zijn weer naar Kosovo te worden gebracht. Terwijl ze in de rij stonden om geregistreerd te worden, verspreidde dit gerucht zich. Het kost veel overredingskracht om de vluchtelingen in de bussen te krijgen. Uiteindelijk vertrekt de kolonne van 14 voertuigen. Waarheen? Niemand weet het.

Even voor Skopje wordt gestopt. Lokale autoriteiten zeggen dat de stad geen duizend vluchtelingen kan opnemen. Tegenwerpingen van de Albanese vluchtelingenorganisatie en het Rode Kruis dat de mensen bij familie en vrienden kunnen worden ondergebracht, mogen niet baten. De kolonne zwenkt af naar het oosten, richting Tetovo. De meeste etnische Albanezen in Macedonië wonen in een straal van 25 kilometer rondom deze plaats.

Onderweg wordt druk overlegd via de mobiele telefoon. Mensen kunnen aangeven in welke plaatsen ze familie hebben en waar ze willen stoppen. Een paar keer wordt er gestopt en verwisselen kleine groepjes mensen van bus. De Macedonische politieman kijkt geïrriteerd toe. Even voorbij Petovo, richting Gostivar, valt de kolonne uiteen. Sommige bussen gaan terug naar Skopje, anderen terug naar Tetovo en de rest waaiert uiteen over Macedonië. ,,Wij wilden naar Skopje, maar er was geen bus meer over. Nu gaan we morgen'', zegt Asani terwijl hij zijn schoenen uitdoet en de boerenwoning van de familie Saiti betreedt. Wanneer zijn moeder vertelt wat hen is overkomen, pakt oma Saiti de punt van haar schort en wist de tranen uit haar ogen. Opa Saiti schudt zijn hoofd. ,,Maar hier ben je veilig, zuster.''