Trou moet blijcken

't Is een beetje een eigenaardige gedachte, dat iemand in zijn gedichten zou willen wonen. De poëzie wordt hier op één lijn gesteld – zie regel twee, drie en vier – met onderdak, een eigen haard en een tent. De poëzie is kennelijk het enige dak boven je hoofd waarvan je verzekerd bent, de centrale warmtebron, de beschermende tent die nooit wegwaait.

Als je in je eigen gedichten moet wonen zul je er ook een groot deel van je tijd in slapen of er met je kop tegen de muur lopen. Dat is niet wat Slauerhoff bedoelt. Het is duidelijk dat het bij hem om een selectieve symboliek gaat. In de tweede strofe blijkt trouwens dat hij zijn huis, net als een slak, overal met zich meezeult. In wildernis, in steppen, stad en woud, overal volgt hem de stacaravan van de poëzie. Van zijn eigen poëzie, wel te verstaan. Als hij maar kan dichten is hij overal thuis. Dat staat er wel niet zo, maar we begrijpen dat het er zo staat.

Alleen in mijn gedichten kan ik

wonen –

het is met zijn stelligheid niet vrij van een zekere vooroorlogse pathetiek. Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt – die regel van Marsman is ook al zo absoluut. Je bent geneigd bij Slauerhoff de tweede regel te vervolgen met

Alleen in mijn gedichten kan ik

wonen,

Hoort ge dat, vader, moeder,

knekelhuis!

– dat idee van de eenzame, de onbegrepene, de unieke eenling zit er zo helemaal in. De vergelijking van poëzie met een onderkomen is geen vergelijking die je al te ver of al te kritisch moet willen doortrekken, maar iemand als Slauerhoff hoeft maar weinig beroep te doen op de goede wil van de lezer de lezer is door de dramatische pose onmiddellijk bereid de dichter te volgen in dat deel van de woningsymboliek dat in zijn kraam te pas komt.

De dichter die nergens, maar dan ook nergens een woning heeft, heeft wel degelijk een woning. Een hogere woning die op een of andere manier toch geen woning is. Ondanks de herhaalde verzekering dat er iets bestaat waarin hij kan wonen, dat hij weet dat er een onderkomen voor hem onder handbereik ligt, blijft Woningloze de titel van het gedicht. Zoiets zou eigenlijk de herhaalde verzekering ontkrachten en van de gedichten iets onbereikbaars maken.

De lezer weet dat Slauerhoff het niet zo bedoelt. Voor de lezer vallen de werelden probleemloos samen – het beeld van de eeuwige zwerver die nergens vaste grond onder de voeten aantreft, en het beeld van de dichter die de lof zingt van zijn favoriete vaste verblijfplaats.

Een beroep doen op de welwillende gezindheid van de lezer, Slauerhoff is er bedreven in. In het tweede deel van het sonnet lijkt hij over te gaan op een heel ander chapiter. De gedichten zijn verdwenen en het huisvestingsprobleem komt ook al niet meer voor. Nu, het huisvestingsprobleem wel een beetje, want aan 't slot gaapt de grafkuil. Op het eerste gezicht maakt het gedicht de indruk een collage te zijn, uit twee verwante onderdelen samengesteld.

't Is maar schijn. Inderdaad, het perspectief verschuift en er wordt de suggestie gewekt van een breuk –

Het zal lang duren, maar de tijd

zal komen

– maar bij tweede lezing blijkt óók dat de beeldspraak van poëzie en woning wordt voortgezet. De dichter zet de gedachte weliswaar van zich af – het zal lang duren – maar hij vreest de tijd dat hem `de oude kracht ontbreekt', dat wil zeggen dat hem zijn dichterlijk vermogen zal ontvallen. Hij vreest dat de poëzie

tevergeefs om zachte woorden

smeekt

Waarmee 'k weleer kon bouwen

– dat wil zeggen ophoudt de haard en het dak en de tent te zijn die hij overal ter wereld naar believen kon opzetten, als de instant-bouwmeester van zijn eigen wegwerpwoning.

Oude kracht, zachte woorden, bouwen – die terminologie sluit aan bij wat in het octaaf is gezegd. Toch is er sprake van een wending in het sextet. Het was misschien ietwat gedurfd om de lof van een onderdak te zingen binnen een context van afkeer van onderdak, neerzien op onderdak. Uiteindelijk valt hier alles op zijn plaats – in het graf.

De dichter verloor zijn poëtische woning en als woningloze daalt hij neer in zijn kuil, een niet-begeerde pseudowoning. De

Plek waar mijn graf in 't donker

openbreekt

belieft de dichter die kuil te noemen. Geen woord meer over warmte, bescherming, het einde van een bekommernis. De aarde moet hem wel bergen. Punctum. Het gedicht kan niet anders dan abrupt eindigen.

De dichter is verzwolgen. De woningloze is definitief woningloos. Zijn enige toeverlaat is niet mee naar de verdommenis gegaan. Zijn gedichten zijn er nog, de woonplaatsen waarin nu wij een tijdelijk onderdak kunnen vinden.

Zie alle gedichten van de wereld. Ze vormen een denkbeeldige stad. Wij wonen er in. De huur is gratis. Het moet er zijn als in het paradijs, want er zijn geen makelaars.