Serviërs moeten hun sigaretten missen

In Joegoslavië is benzine op de bon. De overheid overspoelt de markt met grote hoeveelheden bijgedrukt geld in een poging de burgers hun valuta uit de zak te kloppen.

De Servische televisie toont iedere dag nog beelden van hartelijke bakkers die hun klanten glimlachend broden uitdelen. Tekorten zijn er officieel nog niet. Ook niet na een week van NAVO-bombardementen die de infrastructuur van het land flink in de war hebben gebracht. Éen probleem is er wel: de sigarettenverkopers zijn van de straat verdwenen en de kiosken zijn dicht. En dat op een moment dat de Serviërs – toch al zware rokers – juist hun sigaretten nodig hebben.

De sigarettenhandel is het voorbeeld bij uitstek van de manier waarop officiële en niet-officiële economie in Joegoslavië samenwerken in het zogeheten grijze circuit. De sigaretten worden taxfree ingevoerd via o.a. Bosnië en Montenegro en vervolgens via een enorm netwerk van straatverkopers aan de man gebracht.

Dat netwerk wordt overigens beheerst door Marko Miloševic, de zoon van Slobodan Miloševic. Met het sigarettengeld bouwt hij op dit moment een enorm pretpark genaamd Bambiland in de thuisstad van de familie, Pozarovac.

De taxfree invoer van de sigaretten wordt oogluikend toegestaan door het machtige hoofd van de Joegoslavische douane, Mihalj Kertesz, een trouwe aanhanger van Miloševic.

Maar het grijze circuit kan op dit moment kennelijk niet leveren. Bronnen in Belgrado menen dat de regering snel iets moet ondernemen om mogelijk sociale onrust te voorkomen. Dat geldt ook voor het beschikbaar stellen van benzine.

Meteen na de eerste bombardementen vormden zich lange rijen voor de benzinepompen. Na enkele dagen gingen ze dicht en was er helemaal niets meer te krijgen. In het kader van de oorlogseconomie, zoals die vorige week werd afgekondigd, is deze week besloten tot de invoering van benzinebonnen. Eigenaren van personen auto's mogen veertig liter gaan halen, boeren dertig liter diesel per hectare grond die ze bezitten.

Een andere indicatie voor het functioneren van de Joegoslavische economie in deze oorlogstijd, is het gedrag van de geldhandelaren op straat. In de dagen voorafgaand aan de NAVO-aanvallen klaagden zij dat er nauwelijks dinars (de Joegoslavische munt) te krijgen waren. De overheid was kennelijk bezig het geldvolume te beperken en daarmee het risico van een nieuwe inflatiespiraal. De afgelopen dagen staan de straathandelaren ineens met dikke pakken nieuw geld in hun handen en proberen zoveel mogelijk Duitse marken binnen te halen.

Tijdens de hyperinflatie van 1993 zijn de Joegoslaven al eens al hun spaargeld kwijtgeraakt. Wat ze in dinars hadden gespaard was ineens niets meer waard, en de buitenlandse valuta die ze in de kast hadden liggen waren vervolgens snel op.

Op dit moment hebben de Joegoslaven naar schatting weer tusen de 2 en 4 miljard Duitse marken bij elkaar gespaard, die ze thuis bewaren. Hun dinarvoorraden zijn nagenoeg op nadat iedereen vorige week is gaan hamsteren: voedsel, medicijnen, wc-papier. Het nieuwe geld dat nu op de markt verschijnt moet de inwoners kennelijk verleiden om hun valuta te verkopen.

De Joegoslavische overheid is aldus duidelijk bezig haar valuta-reserves zo veel mogelijk aan te vullen. Bedrijven die handel voeren met het buitenland kregen deze week per decreet te horen dat alle transacties voortaan via de centrale bank van Joegoslavië moeten lopen.

Bovendien moeten de bedrijven – rechtspersonen – opgeven wat ze op rekeningen in het buitenland hebben staan en hun uitstaande rekeningen in het buitenland binnen dertig dagen innen.