Servië

Servië beroept zich op historische aanspraken, Macedonië dreigt ten onder te gaan, Albanië worstelt met een humanitaire ramp en Hongarije staat voor een lastig dilemma.

De oorlog in Servië heeft vele implicaties voor de landen op de Balkan en in de nabijheid daarvan. Een schets van twaalf republieken, met bijdragen van Peter Michielsen, Renée Postma en F.G. van Hasselt.

ALS ER een rode draad loopt door de geschiedenis van Servië, en daarmee door het historisch zelfbeeld van de Serviërs, dan is het deze: Servië is het hartland van de Balkan. Het heeft het meest glorieuze verleden van alle Balkan-landen, het stond het vaakst op tegen de Turken, het werd het hardst bestraft, het werd het eerst onafhankelijk. Die historische verdiensten leveren rechten en aanspraken op. Het recht, bijvoorbeeld om de rol van leidende natie te spelen in het koninkrijk dat in 1918 ontstond en dat later Joegoslavië is gaan heten. En de aanspraak op erkenning van die leidende rol door anderen, de Kroaten voorop, maar ook de Slovenen, de Montenegrijnen, de Bulgaren, de Macedoniërs, de Bosniërs.

Die rode draad heeft de Serviërs altijd parten gespeeld. Het koninkrijk dat in 1918 werd gevestigd moest een staat zijn die door de Serviërs werd gedomineerd. Dat de Kroaten dat niet accepteerden vonden de Serviërs onbegrijpelijk. Dat de Kroaten, en de Slovenen, zich tegen die rol verzetten was voor koning Alexander reden een koninklijke dictatuur uit te roepen. Hij moest dituiteindelijk met de dood bekopen: in 1934 werd hij op last van Kroatische fascisten vermoord.

Het was niet de bedoeling van zijn opvolger, regent Paul, dat de dictatuur eindeloos zou duren. Maar vlak voordat de Kroaten en de Serviërs het eens werden over een tweede poging de democratie op poten te zetten, brak de Tweede Wereldoorlog uit, en werd Joegoslavië door de bezetters aan moten gehakt.

Na de oorlog herrees het land als de communistische dictatuur van Tito. Hij was de enige staatsman die begreep dat de veelvolkerenstaat Joegoslavië alleen kon overleven in een zorgvuldig evenwicht tussen de diverse volkeren en hun belangen. Tot zijn dood in 1980 experimenteerde hij, manipuleerde hij, strafte en beloonde hij – in een permanente poging het evenwicht te bewaren. Voor de Serviërs was Tito een gruwel, al was het maar omdat hij de Servische rol van natuurlijke leider niet erkende.

Pas zeven jaar na Tito's dood ontlaadde het gevoel van gekrenktheid zich toen de nieuwe Servische partijleider Miloševic zich opwierp als spreekbuis. Als niemand voor hem wist hij in te spelen op het Servisch gevoel van miskenning. Op golven van Servisch nationalisme bracht hij andersdenkende partijleiders in de Vojvodina, Montenegro en Kosovo ten val en beschikte vervolgens over de helft van het aantal zetels in het opperste staatsorgaan, het staatspresidium. Plotseling waren de Serviërs weer waar ze altijd wilden zijn: aan de leiding van de staat.

Het werd het einde van die staat. De Kroaten en de Slovenen, bang voor dat ontketende Servische nationalisme, zochten hun heil in een eigen nationalisme, dat verder radicaliseerde naarmate de Serviërs nadrukkelijker de eerste viool gingen spelen. Uiteindelijk scheidden Kroatië en Slovenië zich af, op de voet gevolgd door de Bosniërs en de Macedoniërs.

Zo liep die oude federatie stuk op de Servische aanspraken, die de hele Balkan nog altijd parten spelen. De Servische aanspraken leidden immers tot oorlogen in Kroatië en Bosnië. Omdat daar zoveel Serviërs woonden, hoorden die gebieden bij Servië, vond Belgrado. Servië verloor die oorlogen. Ook de oorlog in Kosovo is niets anders dan een neerslag van het Servische verlangen de eerste viool te spelen ten koste van een andere etnische groep. Ditmaal in een gebied waar nauwelijks nog Serviërs wonen, maar waar zich ooit, zes eeuwen geleden, een cruciaal deel van de Servische geschiedenis heeft afgespeeld.

Zo zijn de Serviërs hun ondergang tegemoetgerend, verblind door de geschiedenis. Het is dat ageren op basis van het oude zelfbeeld, dat van het oude Joegoslavië de samenstellende delen heeft afgerukt. De kans is groot dat ooit ook Montenegro en Kosovo verloren zullen gaan. Dan zal Servië achterblijven zoals het anderhalve eeuw geleden begon: als een onbetekenend rompstaatje in het hartje van de Balkan.