Polderend ten oorlog

Nu ook bommen uit Nederlandse vliegtuigen op Joegoslavië. Het was gisteren slechts een terloopse opmerking in de totale berichtgeving over de gebeurtenissen in Kosovo. In een oorlog verloopt het gewenningsproces nu eenmaal snel. Bijna ongemerkt verlopen de stappen in het proces van escalatie. Zo worden nieuwe feiten automatisch vanzelfsprekendheden. Onze jongens: nog niet zo heel lang geleden waren ze in Bosnië actief met patrouillevoertuigen waarvan op speciaal verzoek van de Tweede Kamer de normale bewapening was vervangen door zeer licht geschut. Nu opereren ze in de voorste linies bij de luchtaanvallen op het grondgebied van een soevereine staat.

Het begin van het luchtoffensief tegen Servië, vorige week woensdag, was zeker ook voor Nederland een historische stap. Maar politiek Den Haag is dit geheel ontgaan. Daar was het moment zelve niet meer dan een logisch vervolg van wat reeds eerder in commissievergaderingen aan de orde was geweest. Vandaar ook dat de overgrote meerderheid van de Tweede Kamer absoluut geen trek had in een Kamerdebat toen de laatste gesprekken tussen de Amerikaanse afgezant Holbrooke en de Servische president Miloševic op een totale mislukking waren uitgelopen en de bommenwerpers in gereedheid werden gebracht. Alles was immers al gezegd. Vandaar ook dat minister-president Kok nergens te bekennen was.In de Verenigde Staten bereidde president Clinton het Amerikaanse volk voor op militair optreden met de daaraan verbonden risico's; in Groot–Brittannië deedpremier Blair hetzelfde, in de Duitse Bondsdag verscheen minister van Buitenlandse Zaken Fischer, maar in Nederland bleef het stil. Daar moest het nog een dag duren voordat minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken naar de Kamer kwam en dan nog alleen omdat de fracties van de Socialistische Partij, GroenLinks en D66 daarom verzocht hadden. In Nederland niets van een sense of urgency, vertolkt door een minister–president die het volk danwel het parlement toespreekt.

Het is te gemakkelijk om het zwijgen van Kok af te doen als zijnde niet passend binnen de Nederlandse verhoudingen waar de premier niet meer is dan eerste onder zijns gelijken. Toen begin 1991 de aanval op Irak werd ingezet, sprak premier Lubbers het Nederlandse volk 's morgens vroeg wèl toe via radio en televisie en legde hij enkele uren later eveneens een verklaring af in de Tweede Kamer. In de tussentijd had hij ook nog de rijksministerraad voor een extra vergadering bijeen geroepen. Allemaal activiteiten waarmee de ernst van wat toen in de Golf was begonnen nog eens werd onderstreept.

Waarom toen wel en nu niet terwijl het in Joegoslavië om een conflict gaat dat én veel dichter bij huis is én een veel actievere Nederlandse militaire betrokkenheid kent? Het heeft waarschijnlijk veel te maken met de beoordeling van de situatie, ofwel de onderschatting ervan. Toen de Golfoorlog daadwerkelijk begon, werd rekening gehouden met een massaal treffen inclusief grondtroepen – geen Nederlandse overigens – die de maanden daarvoor in grote getale naar het crisisgebied waren overgebracht. Het gevoel van een echte serieuze strijd in Servië was tot vorige week, althans in Nederland, niet echt aanwezig. Grondtroepen waren niet aan de orde en vrij algemeen was toch eigenlijk de verwachting dat met een paar airstrikes Miloševic wel weer tot bedaren zou zijn gebracht. Niet dus, en nu begint dan ook het knagen.

Vooralsnog heeft in de publieke opinie de ontzetting de overhand, maar weldra zal dit gevolgd worden door de vraag hoe het zover heeft kunnen komen. Was de NAVO goed voorbereid op de situatie, zijn de mogelijke tegenzetten van Miloševic voldoende geanalyseerd etcetera. Legitiem is dan tevens de vraag hoe in Nederland de politieke besluitvorming tot stand is gekomen. Wat dit laatste betreft is de gang van zaken weer een typsch voorbeeld van de onheldere besluitvormingscultuur die ervoor zorgt dat grote beslismomenten altijd ongemerkt passeren. Op het moment dat iedereen rijp is voor het debat, is het meestal te laat omdat elders reeds (vaak in een commissievergadering) het ultieme besluit reeds is genomen.

Dat was zo ten tijde van de Golfcrisis en lijkt zich in het geval Joegoslavië te herhalen. Toen Nederlandse schepen naar de Golf opstoomden werden, zoals de eerstverantwoordelijke minister Ter Beek van Defensie het destijds uitdrukte ,,varenderweg'' besluiten genomen over het operatiegebied, de gedragsregels en de internationale samenwerking. ,,Wij zijn in een fuik gezwommen'' luidde toen de klacht van nogal wat Kamerleden die op het moment suprème merkten dat ze geen enkele invloed meer konden uitoefenen.

In hun boek Nederland en de Golfcrisis dat in 1993 verscheen, gaven de wetenschappers Rosenthal en De Vries een rake typering van de bestuurlijke gang van zaken in Den Haag rond het conflict met Irak. Er was bij de politiek–bestuurlijke elites ,,een grote mate van besluitvormingsonzekerheid'', constateerden zij. Een besluitvormingsonzekerheid die gereduceerd werd met ,,een zelfopgelegde consensus.''

Juist vanwege het diffuse karakter van de besluitvorming heeft de Tweede Kamer een jaar na de Golfoorlog het kabinet gevraagd een procedure te ontwikkelen waarbij de Kamer ,,nadrukkelijk en formeel wordt betrokken'' bij de besluitvorming over uitzending van militaire eenheden. Dat heeft uiteindelijk geleid tot het zogeheten `toetsingskader' waarin staat beschreven op welke wijze en wanneer het parlement betrokken wordt bij de besluitvorming. De Kamer had echter tevens gevraagd om een formeel instemmingsrecht bij het uitzenden van militaire eenheden. Dit zou betekenen dat de Kamer niet achteraf oordeelt, maar in het bijzondere geval van troepenuitzending, vooraf. Op deze breed uitgesproken wens is het kabinet indertijd niet ingegaan en vandaar dan ook dat een duidelijk parlementair beslismoment over Nederlandse militaire betrokkenheid ontbreekt.

Het is de afgelopen dagen weer vaak gezegd: Nederland heeft geen oorlogstraditie. Als het eenmaal zover is schuwen we krijgshaftige taal, maar zeggen zoals Kok vorige week ,,overmand te zijn'' door de plotselinge gebeurtenissen. Een klein land moet ook niet te veel pretenties hebben. Erger is het dat Nederland ook geen parlementaire traditie lijkt te hebben als het gaat over vraagstukken van oorlog en vrede. We polderen de oorlog in, ondertussen de kiezers in vertwijfeling achterlatend. Want het parlement mag dan nu wel zijn toetsingskader hebben, nog net iets belangrijker is het toetsingskader voor het electoraat.