Kok en Europa

De gouverneur van Arkansas is president van de Verenigde Staten geworden, de premier van Nedersaksen bondskanselier van Duitsland en de burgemeester van Parijs president van Frankrijk. Dus waarom zou Wim Kok, premier van een middelgroot Europees land, geen gooi doen naar het presidentschap van de Europese Commissie? Dat zou voor een Haagse politicus toch de grote sprong voorwaarts betekenen: niet langer de baas over Nederland, maar de baas over de Europese Unie, een speler op het wereldtoneel.

Even bestond de indruk dat Kok de favoriet van de belangrijkste Europese leiders was. Blair, Schröder, Chirac – ze wilden allemaal de polderman, berichtten de Nederlandse media nog maar twee weken geleden. Het motief van Chirac was vermoedelijk dat met Kok in Brussel die andere vermaledijde Nederlander, Duisenberg, sneller uit Frankfurt zou kunnen verdwijnen.

Maar niets daarvan. De Europese top in Berlijn besloot vorige week dat Romano Prodi de baan mocht krijgen. Prodi, ambteloos burger in Rome, was beschikbaar. Kok niet.

Waarom eigenlijk niet? Wegens de coalitie en omdat Kok een kiezersmandaat voor vier jaar heeft als premier. Anders dan de Amerikaanse en de Franse president of de Duitse bondskanselier is de voorzitter van de Europese Commissie geen gekozen politicus, maar een ambtenaar die wordt benoemd door de regeringsleiders. Als voorzitter van de Commissie gedroeg Jacques Delors zich weliswaar als een staatshoofd, uiteindelijk was hij niet meer dan een aéropage technocratique (technocratische bestuurder) zoals Charles de Gaulle internationale ambtenaren minzaam placht te noemen. De kortstondige aandacht voor Koks gang naar Brussel heeft wel een ander effect gehad: hiermee is eens temeer duidelijk geworden hoezeer Europese politiek een vanzelfsprekend onderdeel is geworden van de nationale politiek. Dit wordt niet altijd zo goed beseft, vooral niet in Den Haag, maar de afgelopen maand heeft nog twee gebeurtenissen opgeleverd die de europeanisering van de Nederlandse politiek onderstrepen.

Begin maart nam de Duitse minister van Financiën Oskar Lafontaine onverwachts ontslag. Na minder dan zes maanden moest hij wijken: hij was stukgelopen op een nieuwe machtsfactor, de onafhankelijke Europese Centrale Bank. Dat had een directe betekenis voor Nederland. De koers van de euro – en de gulden is sinds 1 januari niets anders meer dan een verschijningsvorm van de euro – schoot omhoog. (Dat de euro deze week tot zijn laagste koers sinds de invoering is gezakt, heeft vooral te maken met de Kosovo-oorlog.)

De chicanes tussen Lafontaine en de Europese Centrale Bank waren verleden tijd. Bovendien verdween de meest uitgesproken exponent van een ouderwets soort economisch beleid van het Europese politieke toneel. Wat Frankrijk al twee keer eerder had ontdekt – in 1983 en in 1993 – geldt ook voor Duitsland: een nationaal-economisch stimuleringsbeleid is niet langer mogelijk.

Het beleid dat in de andere eurolanden – en zeker in Duitsland – gevoerd wordt, beïnvloedt de economische perspectieven in de overige landen. Daarom is de vervanging van een Duitse minister van Financiën voor de landen die deelnemen aan de euro binnenlands nieuws. Nederlandse bewindslieden sprongen in stilte dan ook een gat in de lucht toen ze van het vertrek van Lafontaine hoorden. De stokpaardjes van Lafontaine – harmonisatie van belastingen, doelzones voor de wisselkoersen, forse loonstijgingen, minder nadruk op begrotingsdiscipline, rentedaling als conjunctuurpolitiek instrument – waren anathema's in Den Haag.

Het tweede voorbeeld van de verstrengeling van binnenlandse en Europese politiek werd vorige week geleverd op de EU-top over Agenda 2000. De Nederlandse onderhandelaars – Kok, Van Aartsen, Zalm – haalden in Berlijn 1,4 miljard gulden ombuiging binnen, ruim honderd miljoen meer dan was ingeboekt in het regeerakkoord. Het betekent dat niet extra hoeft te worden bezuinigd op andere begrotingsposten.

De manier waarop het Berlijnse bedrag bij elkaar gesprokkeld wordt, verdient allesbehalve een schoonheidsprijs, want de hoognodige sanering van de landbouwuitgaven is vooruit geschoven. Bovendien is een lagere netto-afdracht door hogere EU-subsidies aan Nederland een vorm van gezichtsbedrog. Maar het verdient respect dat het het gestelde doel, een vermindering van de Nederlandse netto-bijdrage aan de EU, ruimschoots is gehaald.

Vorig jaar schreeuwden Europarlementariërs nog van de daken dat Zalm met zijn `wij willen ons geld terug'-standpunt een schandelijk beleid voerde. Het was onhaalbaar, de cijfers klopten niet, het schaadde Nederland, het was vooral anti-Europees want Thatcher-achtig en het deugde dus niet. Europa, dat mocht Nederland best een paar centen extra kosten. Toen Zalm een keer opmerkte dat hij van de Nederlandse Europarlementariërs van de regeringspartijen toch iets minder openlijke tegenwerking had verwacht, temeer omdat het een afspraak uit het regeerakkoord betrof, kreeg hij er van langs. Vooral Piet Dankert, Hedy d'Ancona (PvdA), Laurens Jan Brinkhorst (D66) en Hanja Maij-Weggen (CDA) sloegen Zalm verbaal om de oren. Maar ook voor andere Europarlementariërs was het een erezaak dat de Nederlandse belastingbetalers zo'n forse nettobijdrage leverden aan de Brusselse schatkist.

Toch merkwaardig dat van hen de afgelopen week niets meer is gehoord. Ze hadden een protestbrief of een gelukstelegram aan het kabinet kunnen sturen, maar niets van dat alles.