Geschiedenis als grabbelton

De NAVO gooit bommen op doelen in Joegoslavië. Albanezen ontvluchten massaal Kosovo, voorzover zij al niet door Serviërs zijn vermoord. De buurlanden zien gespannen toe, worstelen met de vraag hoe ze buiten het oorlogsgeweld kunnen blijven of ondervinden al de dramatische gevolgen ervan. De Balkan, een gebied met een bloedige reputatie.

Waarom is het altijd oorlog op de Balkan? Meng een glorieus verleden met een lang geheugen. En je krijgt explosies in een gebied waar de Verlichting nooit heeft geaard.

BALKAN IS EEN LELIJK woord. De Balkan en balkanisering zijn begrippen die staan voor primitief religieus of tribaal geweld. Voor bloedige oorlogen, voor eeuwenoude vetes, voor fragmentatie, voor bloedwraak, voor etnische zuivering. Voor volkeren en stammen waarvan we nog nooit hebben gehoord, die opeens, zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak, slaags raken met elkaar. Met een wreedheid die verbijstert. Niet alleen nu in ex-Joegoslavië, ook in de Tweede Wereldorlog, in de Eerste, in de beide Balkan-oorlogen, tijdens de Macedonische opstand van 1903, tijdens de boerenopstanden tegen de Turken in de vorige eeuw.

De Balkan. Dat is het gebied waar Renaissance en Verlichting aan voorbij zijn gegaan. Inmiddels ingesleten principes van humanisme, tolerantie, ratio, individualisering en wederzijds respect kiemden nooit op de Balkan. Een regio waar te zien valt ,,wat geschiedenis is, in vlees en bloed'', zoals De Britse schrijfster Rebecca West het uitdrukte. En waar die geschiedenis stilstaat, zoals de Amerikaanse journalist Robert Kaplan schreef. Want de slag op het Merelveld, waar de Serviërs in 1389 ondergingen tegen de Turken, dat is op de Balkan gisteren. En 1495 is ook gisteren, en 1689 ook. De Balkan is een gebied waar trauma's nooit sterven.

Hoe komt het gebied aan die bloedige reputatie? Hoe komt het dat de Balkan altijd wordt vereenzelvigd met geweld en oorlog? Zelfs in het gebied zelf worden die negatieve associaties erkend en herkend. Zeg niet tegen Slovenen of Kroaten dat ze op de Balkan wonen: zij willen er voor geen prijs toe gerekend worden. Zeg het ook niet tegen de Roemenen, want voor hen begint de Balkan ten westen en ten zuiden van de Donau. Zij liggen in Europa. Daar hoort de Balkan niet bij.

Er is een begintijd aan te wijzen voor die reputatie. Ergens halverwege de negentiende eeuw. Voor die tijd was de Balkan geen brandhaard. (zie `Historie') Het aantal opstanden nam pas toe aan het begin van de negentiende eeuw, toen de idealen van de Verlichting langzaam begonnen door te dringen bij een kleine elite. Serviërs en Grieken, Albanezen en Bulgaren, Macedoniërs, Montenegrijnen en zelfs af en toe de Bosnische moslims eisten meer religieuze rechten, meer taal- en onderwijsrechten, gelijkheid van belasting. Ze eisten vormen van zelfbestuur. En in sommige gevallen kregen ze die ook.

Niettemin: het nationalisme bleef beperkt. Het was voor alles een zaak van intellectuelen en geestelijken: de elite. De massa – boeren, bergbewoners – identificeerde zich vooral via de godsdienst. Kroaten bestonden niet: ze waren katholieken. Zoals Serviërs lang niet bestonden: zij waren orthodoxen. Pas heel geleidelijk kwam het in die negentiende eeuw tot een bescheiden identificatie met een natie die ook maar heel geleidelijk ontstond.

In 1877 en 1878 kwam een doorbraak. Rusland reageerde op wreed neergeslagen boerenopstanden in Bosnië en Bulgarije door tegen de Turken ten strijde te trekken. In landen als Servië en Bulgarije wordt die Russisch-Turkse oorlog graag voorgesteld als een strijd waarmee Rusland de geknechte Slavische volkeren bevrijdde van het Turkse juk. Nog steeds eren de Bulgaren tsaar Alexander II – de Tsaar-Bevrijder – met een standbeeld in hartje Sofia. Maar in eerste instantie ging het de Russen om de controle over de Bosporus. Al was de stichting van een aantal nieuwe staten of verdere versterking van al bestaande staten mooi meegenomen. Omdat het de Turkse heerschappij over de Balkan een klap toebracht waarvan de Turken zich nooit meer hebben hersteld.

Bij de Russisch-Turkse vrede van San Stefano werd begin 1878 een Groot-Bulgarije geschapen dat de halve zuidelijke Balkan besloeg: het huidige Bulgarije, het huidige Macedonië en delen van Albanië en Griekenland. Voor Londen, Berlijn en Wenen was dat het sein om in verzet te komen. Nog in de zomer van 1878 zetten zij op het Berlijns Congres de zaken recht: Groot-Bulgarije werd gereduceerd tot een ministaat. De veroveringen werden verdeeld onder Oostenrijk-Hongarije en het verslagen Turkije, dat Macedonië terugkreeg. Roemenië, Montenegro, Servië en Bulgarije werden internationaal erkend.

Dat Congres van Berlijn zadelde de Bulgaren op met een trauma dat vijftig jaar lang het nationale beleid bepaalde en dat leidde tot drie grote oorlogen: de Balkan-oorlogen en de Eerste Wereldoorlog. Het verlies van Macedonië in 1878 speelt zelfs nu nog een rol: pas eerder dit jaar hebben Bulgarije en het onafhankelijke Macedonië hun taalkwestie bijgelegd: de vraag of Macedonisch een Bulgaars dialect is of een aparte taal.

Het ministaatje Bulgarije werd na 1878 een agressieve dwerg. In 1912 toog het ten strijde tegen de Turken, samen met de Serviërs en de Grieken. Zo kwam Macedonië weer onder Bulgaarse heerschappij. Maar een jaar later spanden Turkije, Griekenland, Servië en Roemenië samen tegen de Bulgaren en raakten ze Macedonië weer kwijt. In een poging om het gebied weer terug te krijgen kozen de boze Bulgaren de kant van Duitsers en Oostenrijkers na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Wéér gokten ze verkeerd. Aan het eind van die oorlog waren ze nog meer gebied kwijt, en verloor hun koning zijn kroon.

In 1918, na de Eerste Wereldoorlog, kreeg de Balkan de vorm die het nog lang heeft gehad. Albanië ontstond uit de laatste restanten van het Ottomaanse Rijk. Het in de laatste decennia van de 19de eeuw opkomende pan-slavisme in zowel Kroatië en Slovenië als Servië leidde tot de vorming van een nieuw land dat echter vanaf dat oprichtingsjaar 1918 helaas één manco vertoonde: de Serviërs maakten in dat later Joegoslavië genoemde land aanspraak op de leidersrol. Zij hadden in die Eerste Wereldoorlog het meest geleden. Zij waren het talrijkst. Zij hadden decennialang het vuile werk opgeknapt. Terwijl die Kroaten en Slovenen zich vreedzaam en welvarend onder Habsburgse heerschappij konden ontwikkelen.

De Kroaten wisten al snel dat ze zich bij die Servische geldingsdrang niet prettig voelden. Zo gauw ze de kans kregen – in 1941, onder het fascisme – wreekten ze zich op een verschrikkelijke manier op de Serviërs. In vernietigingskampen als Jasenovac, het Auschwitz van de Balkan. Het was diezelfde Servische geldingsdrang die de Kroaten er in 1991 eindelijk toe bracht voorgoed met de trotse pan-Slavische creatie van 1918 te breken.

Wat de staten van de Balkan gemeenschappelijk hebben? Nooit in die anderhalve eeuw hebben ze hun eigen lot bepaald. Altijd deden dat de grote mogendheden, zowel in 1878 in Berlijn, als in 1918 na de Eerste Wereldoorlog, of in 1945 na de Tweede. Altijd waren het Londen, Parijs, Berlijn, Wenen en St. Petersburg die bepaalden hoe de landen op de Balkan er uit mochten zien.

Wat ze ook gemeenschappelijk hebben? In al die nieuwe landen op de Balkan mislukte wat elders slaagde: het democratisch experiment. Al die koninkrijken van 1918 ontpopten zich na een paar jaar tot koninklijke dictaturen. Na de Tweede Wereldoorlog werden ze communistische dictaturen. Pas in 1989 en 1991 kwam de eerste en enige kennismaking met het concept democratie.

Macedonië is maar één voorbeeld van een gebied waarover de afgelopen ruim honderd jaar voortdurend is getwist en gevochten. Elke natie op dit schiereiland heeft in die eeuw voortdurend met zijn buren overhoop gelegen om gebiedsdelen die, veelal met gebruikmaking van aanspraken van ver vóór de Turkse tijd, werden opgeëist. (Zie `Twisten')

Vanuit het feodale Turkse rijk zijn deze volkeren, stuk voor stuk voorzien van een glorieus verleden (in de pre-Turkse tijd) en stuk voor stuk behept met een lang geheugen, de twintigste eeuw binnengeworpen. Ze hebben weinig om prat op te gaan, behalve dat heel verre verleden. Een verleden dat in combinatie met dat lange geheugen veel in de weg staat: tolerantie jegens de rechten van anderen, respect voor het verleden van die anderen, hun argumenten, hun eeuwenoude aanwezigheid in hetzelfde gebied.

Op de Balkan is het eigen gelijk altijd het ongelijk van de buurman. Het eigen leed is altijd de misdaad van die buurman. Zo ging Joegoslavië ten onder: Slobodan Miloševic speelde vanaf 1987 in op het gevoel onder Serviërs dat ze tekortgedaan zijn, door Tito. Die had de Kroaten bevoordeeld. Die had de Macedoniërs (`Zuid-Serviërs') een eigen deelrepubliek gegeven. Die had de Albanezen van Kosovo autonomie verleend. Het rechtzetten van die onrechtvaardigheden – wat wilde zeggen: het herstel van de leidende rol van de Serviërs in de federatie – joeg de Kroaten en de Slovenen de federatie uit. Later volgden Bosniërs en Macedoniërs.

Hier, op de Balkan, is de geschiedenis een permanent spel van beeld en spiegelbeeld. Het `wij-gevoel' bestaat bij de gratie van de afzondering van de `anderen', buurvolken en minderheden. Dat zijn altijd buurvolken en minderheden die in het verleden lelijke dingen hebben gedaan. Kroaten hebben `altijd' geheuld met de Habsburgers, en in de oorlog met het fascisme. In de beleving van de Serviërs. En Bosnische moslims hebben `altijd' samengespannen met de Turken, net zoals de Albanezen.

Voor de Bulgaren heeft de Turkse minderheid een diep-misdadig verleden. En voor de Roemenen zijn de Hongaren afstammelingen van onderdrukkers. De geschiedenis is een grabbelton waaruit ongelimiteerd verfraaide glorie wordt geput, feiten en feitjes, veldslagen en grote koningen en vileine verraders. Het wordt allemaal gesublimeerd en opgepoetst en trots tentoongesteld, niet alleen ten bate van de eigen ophemeling, ter onderstreping van de eigen voortreffelijkheid en ter rechtvaardiging van wraak, maar óók ter verkettering van een etnische rivaal. Want als de eigen heldenmoed wordt bezongen, gaat het altijd tegelijkertijd over het verraad van de ander. Een pathetisch nationalisme dat de geschiedenis tot stilstand brengt. Een nationalisme dat versplintert en isoleert, dat grenzen trekt en vijandbeelden in stand houdt. Dat zijn nooit historische vijandbeelden, het zijn vijandbeelden van vandaag en van morgen, en van vlak om de hoek.