Fabriek Rover blijft in VK met staatssteun

De Duitse autofabrikant BMW heeft beloofd de hoofdvestiging van zijn verlieslijdende Britse dochter Rover niet te sluiten. Dat hebben beide bedrijven en de Britse regering gisteren bekendgemaakt.

In ruil voor Britse overheidssteun, die wordt geschat tussen de 150 en 200 miljoen pond (480 tot 640 miljoen gulden), investeert BMW zelf 1,7 miljard pond (5,5 miljard gulden) in modernisering en nieuwbouw van de fabriek in Longbridge, bij Birmingham. Vanaf 2002 moet daar een nieuwe middenklasser worden geproduceerd.

In Longbridge werken 18.000 mensen. Sluiting van het bedrijf bedreigde bij toeleveringsbedrijven in de regio nog eens 50.000 banen. Rover zei gisteren dat de herstructurering zonder gedwongen ontslagen zal verlopen, maar dat 3.500 man via natuurlijk verloop zullen verdwijnen.

De fabriek, waar nu de slecht verkopende Rover-modellen 200 en 400 worden gebouwd, geldt als een van de minst productieve van Europa. BMW kwam door de aanhoudend slechte resultaten van Rover vorig jaar voor het eerst in de rode cijfers en maakte een bestuurscrisis door. Het bedrijf dreigde Longbridge te sluiten en een nieuwe fabriek in Hongarije neer te zetten.

Rover, de Britse regering en BMW hebben maandenlang over de redding van Longbridge onderhandeld. Sluiting zou premier Blair politiek zeer slecht uitkomen, nu het in de Midlands en het noorden van Engeland ontslagen regent omdat fabrieken sluiten of moeten inkrimpen door het dure pond en de hoge rente.

Premier Blair en zijn minister van Handel, Stephen Byers, wilden gisteren niet zeggen hoeveel geld de regering bijpast, maar het bedrag is substantieel hoger dan de 118 miljoen pond die zij aanvankelijk beschikbaar stelde en minder dan wat BMW eiste. Byers verdedigde de deal gisteren als een ,,innovatie'', omdat het geld vergezeld gaat van eisen over productiviteitsverhoging.