Een historisch misverstand

Hordes linkse Nederlanders lonkten in de jaren vijftig, zestig en zeventig naar het onafhankelijke Joegoslavië en zijn arbeiderszelfbestuur. Opkomst en neergang van een ideaal.

NOG NIET ZO LANG geleden was Joegoslavië een geliefd land bij armlastige toeristen en bij linkse, niet-communistische Westerlingen die zich ongemakkelijk voelden bij de alles-of-nietskeus die de Koude Oorlog hun leek op te dringen. Menig Nederlander wist in die jaren zijn weg naar Joegoslavië te vinden om er met internationale jeugdbrigades wegen te bouwen en vakantie te vieren.

Voor de strandgasten was Joegoslavië vooral makkelijk en goedkoop. Je kon er zonder visum in en je hoefde niet verplicht een bedrag aan harde valuta te wisselen alvorens je te laven aan het zware Niksic-bier of de straffe slivovic.

Maar er was meer. Joegoslavië straalde een eigensoortige politieke kracht uit. Joegoslavië was raadselachtig en dus romantisch. Dat had allereerst met de geschiedenis te maken. Joegoslavië was een klein land dat zich in 1944 zelf van de Duitsers had bevrijd. Dankzij een effectief mengsel van het sociaal banditisme der hajduks en het communisme van de partizanen onder leiding van de in 1892 geboren Kroaat Josip Broz, alias Tito. Het was in 1948 de eerste socialistische staat die zich durfde af te wenden van de door Moskou gedirigeerde communistische wereldbeweging Kominform, zich twee jaar later ook nog eens tegen de Chinese interventie in Korea keerde en in 1955 geen lid werd van het Warschaupact.

Dit alles culmineerde in datzelfde jaar in de `Beweging van ongebonden landen', een initiatief van de Indiër Nehru, de Indonesiër Soekarno en Tito. Joegoslavië kon zich dus met recht opwerpen als spreekbuis van het `polycentrisme', een begrip dat in het Westen door de zogenoemde `derde weg' werd omarmd als antwoord op de dichotomie van de Koude Oorlog. Het scheldwoord `titoïst', klassiek epitheton in de schijnprocessen tegen communistische dissidenten in het Oostblok, leek een geuzentitel te worden.

Zeker, Joegoslavië was geen democratie maar ook geen totalitaire staat. Op menige berg was weliswaar de naam Tito in steen uitgehouwen en 'snachts fraai uitgelicht. Maar voor het overige waren de signalen dubbelzinnig.

Tito's wapenbroeder Vladimir Dedijer bijvoorbeeld werd afwisselend met hoon en lof overladen. Eind jaren vijftig was Tito's oude Montenegrijnse kompaan en voormalige vice-president Milovan Djilas (auteur van De nieuwe klasse, 1957) door de partij zelfs op de mestvaalt der arbeidersklasse gedeponeerd. Dat was de voorbode van een campagne tegen liberalere geluiden die in 1962 een climax bereikte.

Maar nog geen jaar later kenterde het klimaat weer. Joegoslavië werd een federatieve socialistische republiek met een grondwet. Daardoor werd Tito president-voor-het-leven, maar de partij zwakte haar exclusieve claim op het maatschappelijk leven juist een beetje af. Functies in partij- én staatsapparaat werden `onverenigbaar' en gingen `roteren', in de hoop zo de nomenklatoera in beweging te houden. De klassieke plan-socialisten moesten ook in het economisch leven de teugels laten vieren. De liberalere politieke krachten en intellectuelen (verenigd in het tijdschrift Praxis) voelden meer en meer de wind in de rug. Niet alleen de partij, ook het harde Servische nationalisme verloor terrein. Zo werd in 1966 vice-premier Aleksander Rankovic uitgeschakeld. Hij was onder meer chef van de veiligheidstroepen die tot dat moment hadden kunnen huishouden onder de Albanezen in Kosovo.

Deze signalen bleken het begin van een omwenteling die niet in bloed werd gesmoord, anders dan tezelfdertijd in Praag. Ook in Joegoslavië stak de naoorlogse jeugd de kop op. Terwijl Jean Paul Sartre, onder het motto `La cause du peuple', in mei '68 op de boulevards van Parijs aan de de haal ging met het maoïsme, bestormden studenten in Belgrado en Priština de barricades om met succes vrijer onderwijs, respectievelijk tweetaligheid af te dwingen. Kosovo mocht zich een `autonome' provincie binnen de Servische deelrepubliek gaan noemen.

Hoe ver zou Tito de geest uit de fles laten komen? Het antwoord kwam drie jaar later, toen Kroatische intellectuelen in Zagreb hun eigen `lente' begonnen. Tito greep weer eens in. Maar opnieuw deed hij dat op de paradoxale wijze waarop hij inmiddels patent had. Dissidenten draaiden de gevangenis in of werd anderszins de mond gesnoerd. Drie jaar later volgde echter een ongekende constitutionele hervorming. De nieuwe grondwet (met maar liefst 406 artikelen) verankerde het federale karakter van het Joegoslavische socialisme. De autonome provincies Kosovo en Vojvodina (met een Hongaarse minderheid) kregen nu formeel zelfs hetzelfde `vetorecht' als de deelrepublieken Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Montenegro, Macedonië of Servië.

En, voor de `derde weggers' in het Westen niet minder belangrijk: de decentralisatie van het economische leven in de jaren zestig werd tot een heus ideologisch concept gepromoveerd. Het `arbeiderszelfbestuur'. De Sloveense communist Edvard Kardelj was de architect van dit project, dat uitmondde in dertigduizend zichzelf regulerende bedrijfseenheden.

Voor menig links-socialist die een uitweg tussen Washington, Moskou of Peking zocht, gloorde er hoop op de Balkan. Wat in de Franse horlogefabriek Lip te Besançon mislukte (`autogestion' te midden van een kapitalistische omgeving zonder dat de communistische vakbond CGT er met haar dominante vingers in kon wroeten), zou in Joegoslavië misschien slagen. Een misverstand, zo bleek. Het arbeiderszelfbestuur van de banken leidde er namelijk toe dat armlastige productie-eenheden geen krediet meer kregen. Dat rijke republieken, zoals Slovenië en Kroatië, geen trek meer hadden in financiële afdrachten aan arme gebieden lag evenzeer voor de hand.

Dit proces was niet meer te stuiten. Joegoslavië werd meer en meer een corrupt land op socialistische grondslag, met Tito, diens vrouw en hun jacht in de Adriatische zee als symbolen. De Joegoslavische elite begon zich te spiegelen aan het Westen, zonder de (democratische) consequenties onder ogen te zien.

In de zwarte Citroën, die een uitwisselingsdelegatie van Nederlandse jongeren in 1979 van het vliegveld naar het hotel in Belgrado vervoerde, schalde `Le Freak' van Chic door de speakers. Over Kardelj in theorie en praktijk wilden de gastheren liever niet spreken. Waarom? Dat werd een paar dagen later duidelijk toen de Hollandse jongens en meisjes op bezoek waren in de textielfabriek van Struga (Macedonië). Elke afdeling van deze onderneming had haar eigen comité, geheel conform de theorie. Het gesprek met de Nederlanders werd in de praktijk niettemin gedomineerd door de partijcel van de `administratie' (lees: het management). Het `arbeiderszelfbestuur' bleek toch een schaamlap voor de `nieuwe klasse' die Djilas ruim twintig jaar eerder had beschreven.

Een jaar later was Tito dood.

MODELSTAAT JOEGOSLAVIË