Dallas

`Laten we vrolijk beginnen. Laten we zingen en dansen; met de handjes klap-klap-klap; met de voetjes trap-trap-trap, hola, hola, hop-sasa.' Het is opeens lente in deze stad, de schim van Franz Biberkopf wandelt door de buurt en in het grandcafé `Engelspalast' aan de Neue Schönhauser Strasse dansen de borden.

Wie wil weten waar de half-criminele hoofdpersoon van de jarentwintigroman Berlin Alexanderplatz zijn tijd kapotsloeg moet in het huidige Berlijn lang zoeken. Engelspalast – nu gespecialiseerd in `Caponata alla Siciliana' – is de enige Biberkopftent die nog overeind staat. Toen heette het café `Dallas', een centrum voor kleine dieven, helers en hoeren, volgens de toenmalige linkse krant Vorwärts `de belichaming voor alles wat smerig, duister en hopeloos is'. Toch was de wereld van Dallas tegelijk een inspiratiebron bij uitstek, een humuslaag waaruit Berlijn opbloeide als een roos. Wat een talent werd door die merkwaardige mengeling van ondergang, decadentie en tomeloze bouwlust aangetrokken: Alfred Döblin, Bertolt Brecht, Kurt Weill, Fritz Lang, Mies van der Rohe, Greta Garbo, Marlene Dietrich, Arnold Schönberg, Thomas Mann, Hermann Hesse, Joseph Roth, noem ze maar op. Samen introduceerden ze binnen enkele jaren een nieuwe soort moderniteit, die, door Duitsland afgewezen, Europa en Amerika blijvend zou beïnvloeden.

Nu dansen in Engelspalast opnieuw de borden, en we laten de stemming niet bederven door de vliegtuigen met het ijzeren kruis die voor het eerst weer op oorlogspad zijn.