Brits kabinet komt met minimumloon

Drie pond, net geen tientje: dat is vanaf vandaag het minimumloon dat Britse werknemers tussen 18 en 21 jaar vanaf vandaag voor het eerst wettelijk betaald moet worden. De introductie van een wettelijk minimumloon was een van de hoofdpunten uit de campagne die de regering van premier Blair in mei 1997 de overwinning bezorgde. De loonwet, die deel uitmaakt van een zeer groot pakket nieuwe financiële regelingen, is volgens de regering een ,,fundamentele verandering van de Britse arbeidsverhoudingen''.

Zo'n twee miljoen Britten (horeca-personeel, winkelbedienden, schoonmakers, beveiligings-agenten en werknemers van kleine bedrijfjes) moeten van de maatregel profiteren. Werknemers ouder dan 22 jaar hebben recht op 3,60 pond per uur, maar enkele grote werkgevers hebben aangekondigd dat bedrag ook aan werknemers tussen 18 en 21 jaar te betalen. Vóór de invoering van het minimumloon werden 1,9 miljoen Britten (ruim 8 procent van de beroepsbevolking) volgens de huidige norm onderbetaald. Daarvan blijft nu alleen een kleine groep werknemers over, bijvoorbeeld in semi-legale kleding-ateliers.

Sommige economen voorspellen dat invoering van een minimumloon 80.000 banen kost. Maar uit opiniepeilingen onder bedrijven blijkt niet dat zij geloven minder personeel te zullen aannemen. Meting van het effect is bovendien lastig tegen de `achtergrondruis' van de conjunctuur.

Een minimumloon was jarenlang een explosief onderwerp. Er is nu weinig opwinding meer. Dat zou onder meer komen omdat het bedrag – grofweg een koopkrachtgemiddelde van de rijke Westerse landen – is vastgesteld door een commissie waarin de belanghebbende partijen zaten.

Ian McCartney, staatssecretaris voor Handel, speelde een sleutelrol bij de invoering. Voordat hij de politiek inging werd hij op staande voet ontslagen, nadat hij om een loonsverhoging van één pond had gevraagd, op een weeksalaris van 7,35 pond.