Arts mag lijden niet ontkennen

In de geneeskunde wordt over het lijden van de patiënt nauwelijks of niet meer gesproken, vindt Ignace Schretlen. Het lijkt wel alsof artsen hun eigen angst voor het lijden verdringen danwel dat zij er geen oog meer voor hebben.

Ruim twintig jaar nadat ik als co-assistent voor de eerste maal met zieke mensen werd geconfronteerd, herinner ik mij nog mijn consternatie over de houding van mijn opleiders, die nauwelijks begaan leken met het lijden van hun patiënten. Zonder dat er expliciet over gesproken werd, leerde je als toekomstig arts vanaf het prille begin om je niet te laten meeslepen door emoties, die patiënten bij je teweeg konden brengen. Een goede dokter moest afstand tot zijn patiënten bewaren en diende zijn gevoelens als het ware `met een paar regelknopjes' af te stellen op het juiste midden tussen distantie en nabij zijn. Dat was niet alleen noodzakelijk omwille van de objectiviteit bij het onderzoek en het beleid, maar ook gewenst om niet gebukt te hoeven gaan onder het leed achter de diagnose.

Het eerste co-assistentschap op de afdeling interne geneeskunde duurde toen drie maanden en in die periode met werkdagen van twaalf uur onderging je de metamorfose, waartegen ik mij voorheen zo had verzet: reeds na enkele weken representeerden patiënten voor jou min of meer interessante ziektebeelden zonder dat je jezelf ook maar enigszins bewust was van de gevolgen hiervan voor het leven van de desbetreffende man of vrouw. Het ziektebeeld was volledig los van het lijden komen te staan. Het viel toen ook al op dat in specialistenbrieven het ziekteverloop vaak tot in details beschreven werd zonder dat je iets te weten kwam over het lijden van de desbetreffende patiënt. De existentiële aspecten van ziek–zijn waren en zijn voer voor psychologen, filosofen en theologen, maar niet voor artsen.

Inmiddels ben ik ongeveer zo oud als mijn opleiders van toen en hoe graag zou ik nu even in hun schoenen staan om – voor zover dat mogelijk zou zijn – te verifiëren of mijn beeld van hen juist was; want inmiddels weet ik dat er bij specialisten veel manieren zijn om gevoelens te verbergen. Ik koos evenwel niet voor een carrière in het ziekenhuis maar voor de huisartspraktijk.

Een loopbaan van vijftien jaar als huisarts impliceert tientallen contacten met dezelfde patiënten, met wie je dan ook vaak een goed contact opbouwt, en je moet bij wijze van spreken wel een verschrikkelijke koele kikker zijn om dan nog niet geraakt te worden door het lijden van mensen. En toch ontkom ik niet aan de indruk, dat veel collegae van mij hun beroep als huisarts uitoefenen zonder ooit écht bij dat lijden stil te staan. Natuurlijk zou men kunnen denken aan het eelt op de ziel van de oudere huisartsen, maar juist bij die collegae tref je vaak nog wel de emotionele betrokkenheid en de aandacht voor het lijden. Ook herken ik bij huisartsen het cynisme van menige veertiger, die verzuipt in zijn werk en van wie uiteraard niet verwacht kan worden dat hij dan ook nog erg is begaan met het lot van de gemiddelde patiënt op zijn spreekuur, die er doorgaans beter aan toe is dan de dokter.

Bij jongere collegae ligt dat echter anders. Deze huisartsen hebben een medische studie achter de rug, waarin wél veel meer dan vroeger gesproken wordt of kan worden over gevoelens en emoties, maar tegelijk is hun benadering van patiënten verzakelijkt: op welke wijze kan zo efficiënt mogelijk en volgens de daarvoor bestaande richtlijnen aan de vraag van de patiënt tegemoet worden gekomen. Tot deze richtlijnen behoren een groot aantal op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde standaarden. Bij deze benadering van patiënten laten zich duidelijk trends in de samenleving herkennen in de geneeskunde. Ook in de medische branche lijkt de ideale professionele attitude er nu één te zijn van analyse en berekening, niet zozeer omwille van de medische objectiviteit en evenmin omdat de arts zich emotioneel in bescherming moet nemen, maar omdat de arts–patiëntrelatie in alle opzichten `transparant' moet zijn.

Van de ideale arts wordt hoofdzakelijk verwacht dat hij voldoet aan alle regeltjes en richtlijnen, die buiten de spreekkamer zijn ontwikkeld; daarop wordt hij bij bijscholingen getoetst en bij misstappen gecontroleerd. De huisartsgeneeskunde wil zich steeds meer profileren als een eigen `wetenschappelijke discipline', die in de spreekkamer van de huisarts wordt toegepast. Fenomenen als `lijden' maar ook `moeheid' zijn vooralsnog moeilijk te benaderen vanuit een wetenschappelijk kader en laten zich daarom moeilijk in het nieuwe keurslijf van de huisartsgeneeskunde passen. De grens van wat bij de huisarts in emotioneel opzicht nog als wenselijk wordt geacht, ligt bij `een empathische houding'. Wie over deze grens gaat zit verkeerd.

In de thuiszorg, de preventieve geneeskunde en voor een deel ook in de geestelijke gezondheidszorg is het woord `patiënt' – afgeleid van het Latijnse woord voor `lijden' – in veel gevallen al vervangen door `cliënt'. Het woord `patiënt' zou immers te veel zijn afhankelijkheid van de zorgverlener beklemtonen, hetgeen in strijd is met zijn mondigheid.

Zelfs het woord `mede-lijden' heeft in de gezondheidszorg al een negatieve toon. Elders in de zorgsector spreekt men nog wel over `patiënten' maar van de oorspronkelijke betekenis is nauwelijks meer iets over. Het begrip roept in de geneeskunde eerder de associatie op aan `afstandelijkheid' dan aan het tegenovergestelde. Misschien geldt dat minder voor verpleegkundigen, die vanuit de aard van hun werk dichter bij patiënten staan en die nog wel over `troost' kunnen spreken.

Wat betreft mijn eigen medische opleiding kan ik mij niet herinneren, dat ooit expliciet over het fenomeen `lijden' is gesproken. Hetzelfde geldt sinds het behalen van de bul voor de gesprekken en vergaderingen met collegae – wanneer je over het lijden van patiënten begint, ervaar je al snel enige wrevel. Het lijden van patiënten lijkt in de geneeskunde te worden beschouwd als het vuil op onze levensweg, dat moet worden verwijderd, want `een mens hoeft immers niet te lijden'. Alleen met het oog op de dood – in het kader van euthanasie en zelfdoding – komt het begrip `lijden' expliciet aan de orde, maar feitelijk in dezelfde geest.

Hoe zou de gezondheidszorg er uit zien, wanneer men zich veel meer bewust zou zijn van hetgeen iedereen eigenlijk wel weet: namelijk dat lijden wezenlijk deel uitmaakt van het leven. Lijden is een gegeven, waarmee we moeten (leren) leven. Vaak gemaakte opmerkingen als `u hoeft niet te lijden' zijn daarom meestal naïeve dooddoeners. Het lijden is zo verbonden met ons leven, dat je het lijden niet uit dit leven kunt tillen of los van het leven kunt beschouwen. Daarom is het ook zo moeilijk om lijden zowel als iets zinvols als juist als iets zinloos te beschouwen. Wanneer wordt gesproken over een `zinloos lijden', dan gaan er altijd andere criteria – meestal van praktische aard – een rol spelen, die vaak weinig met het wezen van dat lijden zelf hebben te maken. Als wezenlijk onderdeel van het leven zou men ook veel meer oog moeten hebben voor de rol die het lijden speelt in menselijke relaties. Lijden zou beschouwd kunnen worden als een krachtig appèl op de ander, dat je als medemens niet mag negeren. Ook in de gezondheidszorg zou het goed zijn om na te gaan, wat dat appèl betekent in de relatie tussen hulpvrager en hulpverlener. Juist door dat appèl is de relatie namelijk niet meer vrijblijvend. Er kan dus ook niet meer gesproken worden van een eenzijdige afhankelijkheid van de patiënt jegens de arts. Aldus wordt ook meer recht gedaan aan wat beschouwd zou kunnen worden als een goede arts-patiëntrelatie.

Wat betekent dit voor de praktijk? In het dagelijks taalgebruik wordt het woord `lijden' al nauwelijks meer gebruikt. Het is dan ook een heel beladen begrip geworden. Veel liever hanteer ik zelf het begrip `lijdensdruk'. `Lijdensdruk' valt niet te objectiveren of te meten en in de hedendaagse geneeskunde zal dit begrip dan ook met argwaan worden beschouwd. Toch geloof ik dat het begrip `lijdensdruk' beter toegankelijk is omdat deze lijdensdruk van essentieel belang is voor de motivatie van een patiënt om hulp in te roepen. Wanneer men een beeld probeert te krijgen van de `lijdensdruk' die een patiënt ervaart, kan men reëler de motivatie inschatten om een bepaalde therapie te aanvaarden. Juist wanneer een arts niets meer te bieden heeft dan de zo snel gemaakte opmerking, dat de patiënt `maar met zijn ziekte zal moeten leren leven', zou het goed zijn om in te gaan op de `lijdensdruk' van de patiënt en zou men troost kunnen bieden.

Op deze manier benader je als hulpverlener bij de patiënt veel meer het wezenlijke van de ziekte. Feitelijk gaat het hierbij niet zozeer om een extra tijdsinvestering als wel om een andere attitude. Uiteraard kan dit alleen maar, wanneer de arts zich zelf ook bewust is van wat deze lijdensdruk kan inhouden en wanneer hij zich een beeld van het lijden heeft gevormd, dat wat genuanceerder is dan het ongemak dat bij de patiënt even uit de weg moet worden geruimd.

Ignace Schretlen is huisarts en beeldend kunstenaar.