West-Papoea vestigt hoop op Freeport

Voorstanders van onafhankelijkheid van West-Papoea vestigen hun hoop op Freeport. Het mijnbouwbedrijf moet geld in het laatje brengen en ook het milieu sparen.

Brede puinstraten slingeren zich tussen muren van rotsblokken, keien en gruis. Snelstromende beekjes kleuren groenblauw door het hoge sulfidegehalte van het gesteente. Uit de kille nevels aan de bovenkant van de Grasberg duiken megatrucks op. Vlakbij de tropische gletsjer van de Carstenz-piek delft PT. Freeport Indonesia sinds 10 jaar koper en goud in een van de grootste oppervlaktemijnen ter wereld. Freeport, dochter van het Amerikaans mijnbouwconcern Freeport-McMoRan Copper & Gold, lijkt in alles de grootste. Het bedrijf is de grootste belastingbetaler van Indonesië en het is de grootste werkgever van de provincie Irian Jaya (met onderaannemers meegerekend zo'n 14.000 werknemers). Critici zeggen daarnaast dat de mijn verantwoordelijk is voor de grootste milieuramp in het land en dat de onderneming de lokale samenleving heeft ontwricht.

Vorig jaar bedroeg Freeports omzet ruim 1,75 miljard dollar. Volgens het bedrijf werd in het laatste kwartaal van 1998 bijna 120.000 ton koper gewonnen en 22 ton goud; dagelijks werd hiervoor een recordhoeveelheid van 210.600 ton ertshoudend gesteente verwerkt, in gigantische vergruizers fijngemalen en geloosd in de Ajkwa. Verderop in de alluviale laagvlakte is het regenwoud langs de rivier over een lengte van tientallen kilometers afgestorven. Volgens Freeport het gevolg van verstikking van boomwortels door overigens niet giftig slib na een overstroming in 1990. Woordvoerders van het Amungme-volk, dat van oudsher in dit gebied leeft, vrezen echter dat zware metalen het water hebben vervuild.

Freeport is het symbool van de nietsontziende exploitatie van Indonesiës bodemschatten onder de Nieuwe Orde van de vorig jaar afgetreden president Soeharto. Moslimleider Amien Rais, tegenwoordig leider van de Nationale Mandaat Partij, was begin 1997 een van de eerste vertegenwoordigers van het establishment die Freeport veroordeelden en eisten dat de bevolking meer profijt krijgt van de natuurlijke rijkdommen van het land. Rais, tot dat moment een van de leiders van de invloedrijke vereniging van moslimintellectuelen (ICMI), werd door de regering gedwongen op te stappen.

Maar de felste tegenstanders van Freeport zijn te vinden in de directe omgeving van de mijn zelf. In het kantoortje van de Organisatie van het Amungme-volk (Lemasa) in het stadje Timika zit de afgelopen december tot stamhoofd gekozen Tom Beanal in een fel gekleurd oranje overhemd achter een houten bureau. Beanal leidde vorige maand een delegatie van 100 informele leiders uit Irian Jaya, die in Jakarta tijdens een zogeheten `Nationale dialoog' met president Habibie onverhoeds onafhankelijkheid eiste. Tientallen Papoea's zijn nu naar zijn kantoor gekomen om Beanals verslag te horen over zijn laatste bezoek aan de hoofdstad: een bijeenkomst waarbij vertegenwoordigers van de traditionele volkeren van Indonesië Jakarta aanklaagden wegens 30 jaar neokolonialisme en culturele kaalslag.

Stamhoofd Beanal en zijn mensen eisen dat meer van Freeports opbrengsten ten goede komen aan de lokale bevolking. Freeport maakte van 1992 tot 1997 ruim 1 miljard dollar aan belastingen over aan Jakarta. In dezelfde periode droeg het bedrijf slechts 121 miljoen dollar bij aan `Ontwikkeling van de lokale omgeving' en welzijn. Beanal wil ook dat onderzoek wordt gedaan naar schade die de mijn aan het milieu berokkent. De komende onafhankelijkheid van West-Papoea, zoals separatisten de provincie noemen, biedt de gelegenheid dit rechtstreeks met Freeport te regelen, zegt Beanal. ,,We zullen over die kwesties onderhandelen met het bedrijf.''

Beanal zegt dat het contract dat Freeport in 1967 sloot met Jakarta over exploitatie in het gebied niet rechtsgeldig is omdat Irian Jaya volgens hem toen formeel nog niet van Indonesië was. Het verdrag van New York (1962), waarbij Nederland afstand deed van Papoea Nieuw Guinea, bepaalde dat de bevolking zich in 1969 mocht uitspreken over aansluiting bij Indonesië. Als Freeport niet wil onderhandelen met omwonenden, kan het forse maatregelen verwachten. ,,Dan branden we de zaak plat'', dreigt Beanal. De mensen in zijn kantoor klappen in hun handen.

Op weg naar de mijn, die op ruim 4.000 meter hoogte ligt, voert de weg langs verschillende posten van het Indonesische leger (ABRI). Het `projectgebied' van de groeve en een brede corridor aan weerszijden van de rivier naar zee zijn verboden gebied. Veel veiligheidstroepen zijn ook gelegerd in de buurt van Kuala Kencana, een lommerrijke, luxe woonwijk voor de arbeiders van Freeport. In het verleden zijn er herhaalde malen aanvallen en aanslagen geweest van onafhankelijkheidssrijders, die handelden uit onvrede over het verlies van hun traditionele gronden, waarop troepen van ABRI hard optraden. In 1994 vielen daarbij nog verschillende doden.

Volgens Greg Probst, pr-functionaris van Freeport, zijn de echte moeilijkheden echter pas in 1996 begonnen, het jaar waarin zijn bedrijf een regeling invoerde waarbij het 1 procent van zijn omzet, ongeveer 15 miljoen dollar per jaar, rechtstreeks bestemde voor welzijnsprojecten voor de lokale bevolking. ,,Tot een paar jaar geleden was het hier paradijselijk'', zegt hij. ,,Voor de volkeren die in het mijngebied wonen, de Amungme en Komoro, hadden we een programma van gemeenschapsrelaties.'' Toen Freeport de nieuwe regeling invoerde, waren er evenwel ook leden van vele andere volken naar het gebied getrokken: Dani, Ekari, Nduga, Moni, Lani. Maar ook mensen uit verderaf gelegen delen van Irian: Jayapura, Biak, Serui, Sorong en Manukwari, terwijl de regering het gebied bestempelde tot `transmigratiegebied', zodat ook niet-Papoea's uit Java en Sulawesi de streek binnenstroomden.

Volgens Leroy Hollenbeck, leider van Freeports gemeenschapsrelatiesproject, wonen inmiddels in het district zo'n 70.000 mensen. De volgens velen oneerlijke verdeling van de hulp, die door corruptie bovendien vaak in verkeerde zakken belandde, leidde in 1996 en 1997 tot stammenstrijd en tot een aanval op de mijn. Inmiddels heeft Freeport vorig jaar het welzijnsprogramma ,,geherstructureerd'', zegt Hollenbeck. De nieuwe Organisatie voor de Ontwikkeling van de bevolking van Irian Jaya (LPM) heeft tot doel de 1-procentsgelden eerlijk te verdelen over projecten voor huisvesting, scholing en gezondheidszorg. ,,We gaan bovendien uit van een nieuwe filosofie die tot doel heeft de lokale bevolking te activeren en meer te betrekken bij de formulering van de projecten. Tom Beanal is ondervoorzitter van het bestuurslichaam van deze organisatie en ik heb alle vertrouwen in hem'', zegt hij.

Hoe verklaart hij dan Beanals vijandige uitspraken? ,,Die zullen voor intern gebruik bedoeld zijn. In de praktijk werken we goed samen'', reageert Hollenbeck. ,,Het is een spel en daarin zal Freeport altijd een belangrijke rol spelen, wat de komende maanden ook mogen brengen in Irian Jaya.''