Standbeeld

In de stad Groningen leven plannen een standbeeld op te richten voor de schrijver W.F. Hermans, die daar als lector aan de universiteit gewerkt heeft. In de Volkskrant noemt voorlichter W. Jansen van de Rijksuniversiteit Groningen zo'n standbeeld `een eerbewijs aan een groot schrijver met een groot Gronings verleden'. Ook burgemeester Wallage van Groningen is enthousiast. Jammer alleen, vindt hij, dat we de reactie van Hermans niet kunnen horen.

Wallage zou iets aan zijn oren moeten doen, want het kostte mij geen enkele moeite om de stem van Hermans vanuit de Elysische valleien te horen schreeuwen toen hem dit nieuws bereikte. Ik noteerde de volgende tirade.

,,Zijn jullie daar in Groningen helemaal gek geworden? Hebben jullie dan echt niet begrepen waarom ik die sleutelroman Onder professoren heb geschreven?

,,Daarin geef ik van een Groningse hoogleraar de volgende beschrijving: `De ogen die een werkelijk stuitende bekrompenheid uitdrukten, ogen die niet verder leken te kunnen zien dan tot de glazen van de bril. Het geplakte sluike hoofdhaar als een veeg inkt. Het zure mondje van een teleurgestelde oplichter. Nee, van een oplichter die zelfs niet de moed tot zijn fantasieën heeft (...) Het Nieuwsblad van het Noorden (bijgenaamd het sufferdje) had de noordelijke universiteit niet duidelijker kunnen kenschetsen dan door deze grote foto te plaatsen van haar meest karakteristieke vertegenwoordiger.'

,,Een standbeeld! Voor iemand die jullie hebben weggejaagd! Hoe durven jullie? Niemand in Groningen heeft een poot voor mij uitgestoken toen er lasterlijke aantijgingen over mij verschenen dat ik mijn werk niet goed deed. Een van mijn tegenstanders aan de universiteit was de hoogleraar geologie, dr. Kuenen, die een hekel aan mij had omdat zijn vrouw mij `een rare man' vond die `vieze boeken' schreef. Toen een commissie uit het universiteitsbestuur mij ten slotte vrijpleitte van plichtsverzuim, werd daar door de universiteit geen ruchtbaarheid aan gegeven. Ook staatssecretaris Klein verzweeg de gunstige conclusies.

,,Die meneer Klein was van de PvdA, de partij ook van burgemeester Wallage. Moet ik er nog aan herinneren hoe die partij in Amsterdam een culturele boycot tegen mij instelde? Waar was Wallage toen?

,,Laat ik besluiten met een citaat uit mijn boek Uit talloos veel miljoenen. `Het Nederlandse volk, legde hij uit, dat is een volk van klootzakken. Dat kent zijn eigen schrijvers niet, dat leest nooit een boek, dat koopt nooit een boek, of het moest een boek van Kuifje wezen.''