`Man met mes' waarschijnlijk niet vervolgd

De `man met het stanleymes' die op 21 november 1997 voor de tweede keer in het Stedelijk Museum een groot doek van de Amerikaanse kunstenaar Barnett Newman vernielde moet worden ontslagen van rechtsvervolging omdat hij ten tijde van zijn daad volledig ontoerekeningsvatbaar was.

Dit blijkt uit een rapport van een psychiater en een psycholoog.

Omdat herhaling niet uitgesloten wordt, raden zij opname van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis aan. De opname kan, als het goed gaat, worden omgezet in een ambulante behandeling. De officier van justitie bij de Amsterdamse rechtbank mr. M. Geradts sloot zich gisteren bij deze conclusies aan.

De man, de 46-jarige Amsterdammer G.J. van B., is volgens het rapport `hoogbegaafd' en met een IQ van 135 tot 140 `ruim boven het gemiddelde universitaire niveau'. Hij lijdt echter aan een `ziekelijke stoornis van de geestesvermogens'. Er is sprake van `schizofrenie van het paranoïde type met narcistische en dwangmatige kenmerken'.

Van B. bekende gisteren voor de rechtbank schuld aan de aanklacht en verklaarde dat hij tijdens zijn daad ernstig psychotisch was. Hij schreef verwarde pamfletten en had dwanggedachten die hem dreven tot beschadiging van abstracte kunst. In 1997 vernielde hij met vijf horizontale snedes het 240 bij 543,5 centimeter metende Cathedra van Barnett Newman, een groot voornamelijk blauw doek, met een geschatte waarde van 20 miljoen gulden. Het stanleymes had hij in een schoen verstopt, omdat hij bang was dat het museumpersoneel hem zou herkennen en laten fouilleren. In 1986 had hij in hetzelfde museum Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III van dezelfde schilder met een stanleymes bewerkt. Van B. kreeg hiervoor acht maanden, waarvan drie voorwaardelijk en een museumverbod van drie jaar. De restauratie, waarbij de Amerikaanse restaurateur het hele doek met een niet te verwijderen verfsoort overschilderde, deed destijds veel stof opwaaien. Van B. vertelde dat hij eigenlijk van plan was geweest behalve de Cathedra ook het gerestaureerde doek opnieuw te vernielen.

Als bewonderaar van het impressionisme was Van B. zich steeds meer gaan afzetten tegen de abstracte kunst. De tentoonstelling La Grande Parade in 1985 in het Stedelijk Museum ervoer hij als `een klap in het gezicht' wegens de grote aandacht voor abstracte werken. ,,Dat is de kiem geweest van mijn grote onvrede,''aldus Van B, die anders dan de vorige keer nu wel de noodzaak van behandeling inziet. Hij heeft nog steeds last van dwanggedachten, depressies en angsten, maar krijgt medicijnen en een keer in de maand psychiatrische hulp waardoor hij zich wel beter voelt. ,,Het is welletjes geweest,'' zo verzekerde hij. ,,Ik heb die strijdlust niet meer.''

Van B.'s advocaat J. Knap legde zich bij de eis neer. Hij memoreerde de enorme discussie die zijn cliënt in de kunstwereld had teweeggebracht. ,,Wat eerst een daad van protest leek, is door het tijdsverloop en de rapportage gedegradeerd tot de steek van een gek,'' aldus de advocaat.

De rechtbank doet op 13 april uitspraak.