`Hij schoot er twee dood en gaf me een knipoog'

Vluchtelingen uit Kosovo blijven in een schrikwekkend tempo de buurlanden Montenegro, Albanië en Macedonië binnenstromen. Elk van hen heeft een eigen verhaal van verdrijving, plundering en moord.

Met roodbetraande ogen, dodelijk vermoeid, stapt Nafia uit het taxibusje bij het politiebureau Bit-Pazar. In haar armen heeft zij een baby van zeven maanden in een rood skipak. Haar andere drie kinderen klampen zich vast aan haar vuile blauwe rok. Vanochtend om zeven uur is de 27-jarige vrouw met haar vier kinderen de grens tussen Kosovo en Macedonië overgestoken. De trein waarin ze gisteren zat, werd teruggestuurd door de Macedonische grenswachten. ,,Na een paar kilometer werden we door de Serviërs eruit gejaagd. We zijn de bossen in gevlucht en te voet de grens overgestoken.'' Ze gaat zitten en veegt af en toe haar tranen af aan het roze mutsje van de baby. Een plastic tas met een flesje water en wat kleren voor de kinderen is het enige dat ze bij zich heeft.

Bij het politiebureau in Skopje staan een paar honderd gevluchte Kosovaren in de rij om zich te laten registreren. Soms dagenlang, want de politie werkt niet erg mee. De vluchtelingen die 20 mark door het hek duwen, krijgen voorrang. Omstanders laten dit gelaten over zich heen komen. Nafia heeft twee keer moeten vluchten.

Ruim twee weken geleden werd ze uit haar dorp Kremena verjaagd naar Priština. ,,Binnen een uur moesten we ons huis verlaten. Wie na die tijd nog in het dorp werd gezien, zou worden doodgeschoten'', vertelt Nafia. Op weg naar Priština keek ze om en zag zwarte rookwolken boven haar dorp. De Serviërs hadden gezegd dat Priština veilig zou zijn. Met twee schoonzusters, schoonmoeders en negen kinderen werd de boerenfamilie in een oude school ondergebracht. De drie echtgenoten waren direct na de NAVO-bombardementen en het daarop volgende Servische machtsvertoon de bergen in gevlucht.

,,In een blauwe auto reden de Serviërs door het dorp, ze schoten in de lucht. Af en toe werd een geweer op een man gericht, maar ze haalden de trekker niet over. Ze wilden ons alleen maar bang maken.''

Begin deze week kreeg Nafia te horen dat ze op transport zou worden gesteld naar Skopje. ,,In Priština mochten we de school niet verlaten, maar bijna de hele dag werd geschoten. 's Nachts konden we niet slapen wegens de aanvallen van de vliegtuigen.'' Door een raam zag ze drie Servische politiemannen met tien Albanese gevangenen door de straat lopen. Voor de school stonden ze stil. Twee werden voor haar ogen doodgeschoten door een Serviër. ,,Hij lachte en toen hij mij zag kijken gaf hij mij een knipoog.'' Nafia trekt met een hand haar hoofddoek naar beneden en drukt met de andere de baby stijf tegen haar aan. Ze denkt niet dat ze haar man ooit nog terug zal zien. ,,Er vallen zoveel doden. Waarom zou mijn man daar niet bij zijn.''