Door wie wil je worden gedood?

Zaterdag, tegen het middaguur stonden de 39-jarige Shaqir Zhushi en elf familieleden, samen met duizenden andere etnische Albanezen, in een lange rij voor een wachtpost van Servische troepen bij een brug in het westen van de stad Pec. Vrijdagnacht hadden ze te horen gekregen dat ze hun huizen onmiddellijk dienden te verlaten en dat ze er niet op hoefden te rekenen ooit nog te kunnen terugkeren.

Bij de wachtpost werd iedereen gefouilleerd. Hun papieren werden grondig bekeken, en geld en juwelen werd hen afgenomen. Achter zich konden de mensen zien hoe veel van hun huizen in brand waren gestoken.

Toen Zhushi bij de wachtpost aankwam moest hij uit de rij naar voren komen. Hij werd eruit gepikt door een man die Jura heette, een Serviër met wie Zhushi zeventien jaar had samengewerkt in een fabriek in Pec. Hij werd meegenomen naar een winkel onder aan de brug, waar hij door Jura en vier anderen – van wie er drie gemaskerd waren – werd geschopt en geslagen. Zhushi werd ervan beschuldigd in Loda gewoond te hebben, een stadje ten zuiden van Pec. Hij realiseerde zich het gevaar van die beschuldiging want Loda gold als een bolwerk van het Kosovo bevrijdingsleger UÇK.

Jura keek hem aan en vroeg: ,,Door wie wil je gedood worden?''. Bijna had Zhushi gezegd: `Doe wat je niet laten kunt', maar hij bedacht zich. In plaats daarvan zei hij tegen Jura: ,,Mijn broer heeft gezien dat jij me uit de rij haalde en hij kent je ook. Ik ben niet degene die jullie zoeken.'' Kennelijk schrok Jura van het feit dat er getuigen waren van wat hij hier uitvoerde. Hij vroeg Zhushi waar zijn broer gebleven was. Maar die was intussen al langvertrokken. Daarop werd Zhushi vrijgelaten.

Zhushi wist een dag later Montenegro te bereiken. Hij heeft geen idee waar zijn twee broers, zijn beide zussen, zijn moeder, zijn tante en zijn drie kinderen gebleven zijn. Hij kan slechts hopen dat ze Montenegro bereikt hebben en dat hij ze daar zal terugvinden. (Washington Post)