Arm of rijk, we zijn allemaal op de vlucht

Blenim Mita, 44 jaar, heeft getwijfeld of hij Priština, de hoofdstad van Kosovo waar hij een goed lopende garage had, zou verlaten. Pas toen een Servische buurman bewapend zijn huis binnenkwam en zei dat ze onmiddellijk moesten vertrekken als ze niet gedood wilden worden door de milities van Arkan, wist Mita dat hij geen keuze meer had. Hij verstopte de 20.000 Duitse mark die hij voor de zekerheid thuis bewaarde, in de schoen van zijn 4-jarige zoontje Gem en vertrok met zijn familie in zijn zilverkleurige Audi Quattro.

Aan de rand van Priština stuitte Mita op een eerste wachtpost van Serviërs. Ze eisten 1000 mark. Als Mita al had getwijfeld of hij zou betalen, dan werd hij wel op andere gedachten gebracht door een tafereel dat zich even verderop afspeelde. Een vriend die zijn geld niet tijdig kon vinden werd uit de auto gesleept en in elkaar geslagen, ook de rest van de familie moest uitstappen en kreeg klappen. Daarna werd de auto in beslag genomen en de familie moest zijn reis te voet voortzetten.

Twee keer kwam Mita in Kosovo zelf andere wachtposten tegen en telkens moest hij betalen. Aangekomen bij de Macedonische grens moest de familie negen uur wachten voordat ze het land binnenmochten. Mita was doodsbenauwd dat de Macedoniërs op het laatste moment de grens zouden sluiten en hen terug zouden sturen. Uiteindelijk bracht ook hier een forse betaling aan de Macedonische grenswachten uitkomst.

Mita, die met zijn familie vlak over de grens in het stadje Blace is aangekomen, wil van het resterende geld een appartement huren in de Macedonische hoofdstad Skopje. En elders een nieuw bestaan opbouwen. Terugkeer naar Kosovo acht hij uitgesloten. ,,De Serviërs hebben hun versie van de neutronenbom laten vallen'', zegt zijn vrouw, die in het onderwijs heeft gewerkt. ,,Onze stad, ons bedrijf en ons huis staan er nog, maar de mensen zijn verdwenen.''

Het maakt volgens Mita op dit moment niet uit of men arm of rijk is. ,,We zijn allemaal vluchtelingen.'' (The Guardian)