Afhankelijk

Een van de gevolgen van de toegenomen levensverwachting is het verdwijnen van het klassieke sterfbed, zoals dat in de literatuur zo vaak beschreven is. Ook in films zijn sterfscènes dramatische hoogtepunten met herkenbare rituelen, zoals het afscheid nemen, het schoon schip maken en het zich neerleggen bij het onvermijdelijke. Dit alles vaak met een zekere gejaagdheid of althans een lichte verwarring, omdat mensen zich overvallen voelen. De omstanders meer nog dan de stervende.

De uitgestelde dood is nu eerder regel dan uitzondering. Bijna iedereen die getroffen wordt door de een of andere killer, zoals hersenbloeding of hartaanval, kan ook op hoge leeftijd voor de gapende muil van de dood weggesnaaid worden door alerte medici. Als de medische wetenschap ergens goed in is, dan is het wel de onmiddellijke en adequate reactie op calamiteiten. Voor jongeren, die nog kunnen recupereren, is dit natuurlijk een wonder om ten diepste dankbaar voor te zijn. Ouderen daarentegen komen vaak in een onbestemd vacuüm terecht, waar alleen de dood nog een eind aan kan maken. Voor veel tachtigers en negentigers draaien hun laatste jaren geheel onbedoeld uit op lijdensverlenging. Hier kan niemand iets aan doen. De mensen zelf niet, de familie niet en de artsen niet. Het is eenvoudig de prijs die op individueel niveau betaald wordt voor statistische levensverlenging.

Het lange sterven heeft als voordeel dat er meer tijd is om afscheid te nemen. Familieleden kunnen wennen aan het idee dat hun vader/moeder/opa/oma er op enige termijn niet meer zal zijn en de dingen bespreken die nog besproken moeten worden. Maar dan? Dan duurt het vaak nog weken of maanden of jaren en wordt iedereen wanhopig.

Dat komt doordat afhankelijkheid zich niet met droge ogen laat aanzien. Bij baby's en kleine kinderen geeft het niet, want daar schemert de potentie doorheen, maar bij alle anderen stoot het af. Verlies van onafhankelijkheid is een van de ergste dingen die een mens kunnen overkomen, zeker in de Westerse cultuur. Om dit verlies draaglijk te houden is men geneigd de scheiding tussen lichaam en geest nog verder aan te scherpen dan toch al gebeurt. In de omgang met ongeneeslijk zieken of heel oude hulpbehoevende mensen wordt alles wat met lichamelijke verzorging te maken heeft bij voorkeur uitbesteed aan professionele zorgverschaffers. De familie en de vrienden tonen hun betrokkenheid vooral op geestelijk niveau. Zij verwisselen geen incontinentieluiers en maken geen wonden schoon, maar houden de hand vast van de geliefde persoon en wisselen gedachten uit. Zo kan de illusie van onafhankelijkheid nog enigszins in stand blijven.

In niet-Westerse culturen gaat het er heel anders aan toe. Bijna overal elders ter wereld draait de lichamelijke verzorging en de voedselvoorziening van ziekenhuispatiënten grotendeels op de inzet van de familie. Voor een deel heeft dat met (gebrek aan) geld te maken, maar ook met cultuur. Niet overal wordt het lichaam apart van de geest gezet. Aan beide systemen kleven nadelen. In de niet-Westerse culturen gaan de tijd en energie die familieleden aan zieken besteden ten koste van hun eigen leven. In onze cultuur lijdt de patiënt onder de onpersoonlijkheid van de hem verstrekte lichamelijke zorg. Zo is dat gegroeid en niemand hier wil het ook echt anders. Vijftigers willen hun tachtigjarige bedlegerige ouders niet in huis en tachtigers zelf willen ook niet bij hun kinderen in huis. Iedereen wil zelfstandig en onafhankelijk zijn, tot het niet meer gaat en dan volgt onafwendbaar het verzorgings- en later het verpleeghuis.

De taakverdeling is duidelijk: de professionele hulpverlening neemt de lichamelijke kant voor z'n rekening, familie en vrienden doen het sociaal-emotionele gedeelte. In de praktijk gaat het misschien wat vloeiender, meer op een heel-de-mens-manier, maar dat zijn lichte accentverschillen.

De kwaliteit van de hulpverlening aan mensen in het voorportaal van de dood staat ter discussie. Pim Fortuyn schreef in zijn column in Elsevier dat hij pijnlijk getroffen was door het gebrek aan persoonlijke aandacht van het verplegend personeel voor zijn zieke moeder. Verzorgers kletsten met elkaar over de hoofden van patiënten. In de thuiszorg voor chronisch zieken is het probleem nog veel nijpender. Daar hebben de verzorgers geen tijd meer voor een praatje en zijn alle professionele handelingen tot op de minuut in tijd afgebakend. In een KRO-documentaire over leven in een verpleeghuis formuleerde de directeur het zo: `Men verwacht de zorg en service voor een vijfsterrenhotel en men krijgt het voor een tweesterrenhotel' (hij sprak over de verwachtingen van de familie, niet over die van de patiënten, die in het algemeen al te ver heen waren).

De zaakwaarnemers verlangen het beste voor hun stervende naasten, dat is begrijpelijk, maar zij vergeten dat er een deal was gemaakt: het lichaam van de patiënt voor de werkers, de geest voor de bezoekers. Er komen steeds meer oude mensen en steeds meer jaren van hulpbehoevendheid. Verpleegwerk in het laagste echelon is lichamelijk zwaar, slechtbetaald en geen populair beroep. Het gaat een beetje ver om van deze sector ook nog allerlei sociaal-emotionele zorgarbeid te eisen. Dat redden ze niet, er zijn te veel patiënten en er komen er steeds meer en niemand wil belastingverhoging.

Sterker nog, ouderen hoeven sinds een paar jaar niet meer eerst hun eigen huis `op te eten' als bijdrage in de kosten van verpleeghuisverblijf. Dat betekent dat het vermogen dat ouderen hebben opgebouwd (niet allemaal, maar toch een substantieel deel van de 75-plussers) niet aan hun verzorging besteed hoeft te worden, maar intact blijft en dus tezijnertijd in de vorm van een erfenis aan hun nabestaanden ten goede komt.

De verpleegzorg van ouderen zal nog meer op de gemeenschap gaan drukken en nog extra worden uitgehold. Alleen de meest elementaire zorg blijft gehandhaafd. Over niet al te lange tijd zal de nog steeds stijgende curve van de levensverwachting zijn zenith bereikt hebben.

Ik denk niet dat babyboomers zo oud zullen worden als hun ouders. Er is niemand om ze te verzorgen.