THE ECONOMIST

In Latijns Amerika is Brazilië een geval apart. Het is niet alleen het enige land op het continent met een Portugese taal en cultuur, maar het is ook het op vier na grootste land ter wereld, ongeveer even groot als de Verenigde Staten, en het is goed voor 43 procent van het bruto binnenlands product van heel Latijns Amerika. Het bijzondere van Brazilië, schrijft The Economist in een special over het land, is dat het met een hoofdelijk bbp van 4.800 dollar behoort tot de middenmoot maar dat de binnenlandse verschillen extreem groot zijn. De stedelijke gebieden in het zuiden zijn qua ontwikkeling vergelijkbaar met die in Zuid-Europa, terwijl het noordwesten van het land onbetwistbaar tot de Derde Wereld behoort.

Vijftig miljoen Brazilianen zijn arm. Dat is meer dan in andere landen met een vergelijkbaar hoofdelijk bbp. Maar Brazilië is niet zozeer onderontwikkeld als wel onrechtvaardig, zo citeert het blad president Cardoso, want 63 procent van het landelijke inkomen ging naar de twintig procent rijkste Brazilianen, en 2,5 procent naar de twintig procent armste. Maar onder het regime van Cardoso is er veel verbeterd. De vraag is alleen of de verbeteringen stand zullen houden, nu de economische omstandigheden tegenzitten, want de situatie lijkt verdacht veel op die van Zuid-Korea in 1997 aan de vooravond van de devaluatie.

Het verschil met landen als Korea, Rusland en Indonesië is dat Brazilië beschikt over goed ontwikkelde democratische instellingen. Een ander pluspunt is dat de banken en ondernemingen gehard zijn door de ervaring met twee decennia volatiliteit en hyperinflatie, gevolgd door drie jaar kostenreductie als gevolg van de plotseling lage inflatie. De leningen van het Braziliaanse banksysteem zijn maar negen keer zo groot als het eigen kapitaal, in Mexico 18, en in Zuid-Korea 33 keer. Daar komt bij dat zes sterke buitenlandse banken, inclusief ABN Amro, deel uitmaken van het Braziliaanse banksysteem door de koop van middengrote banken.

De achilleshiel van de Braziliaanse economie is de omvang van de publieke sector en de chaos waarin die verkeert. In 1998 gaf de publieke sector dertig procent uit van het bbp. In buurlanden als Argentinië en Chili blijven die uitgaven beperkt tot hoogstens twintig procent. Daar komt bij dat die uitgaven nu niet ten goede komen aan hen die het 't meest nodig hebben, ook al zijn de uitgaven aan sociale zekerheid in Brazilië op een na het hoogst in Latijns Amerika.

Volgens een studie van de Wereldbank komt maar vijftien procent van de uitgaven aan gezondheid, onderwijs en huisvesting ten goede aan de armste twintig procent van de bevolking, terwijl 21 procent ervan terecht komt bij de rijkste twintig procent.

The Economist is verkrijgbaar in de kiosk.

www.economist.com