Pensioenwet

,,Pensioenfondsen moeten overschotten gebruiken voor de indexering van pensioenen.'' Aldus kondigt Prof. Lutjens in NRC Handelsblad van 25 maart het wetsvoorstel Van Zijl aan.

Dit wekt de indruk dat het met die indexering matig gesteld is. Circa 99 procent van de door pensioenfondsen uitgekeerde pensioenen wordt geïndexeerd. Voor bij verzekeraars ondergebrachte regelingen ligt dat cijfer lager, maar over die categorie wordt in het voorstel niet gesproken. Waarom dan dit wetsvoorstel? Wie een wettelijke plicht tot indexering verwacht, of tenminste een verplichte aanwending van overschotten voor dat doel, komt bedrogen uit. Een verbod op uitkering van overschotten aan werkgevers, of op invoering van premiereductie of -vrijstelling, is evenmin aan de orde. Die zijn toegestaan, mits gedurende drie jaar welvaartsvast wordt geïndexeerd. Het komst dus neer op voorwaardelijke legalisering van zaken die moreel en juridisch omstreden zijn.

Evenmin vermeldt Lutjens dat het wetsvoorstel kiest voor een welvaartsvaste indexering op basis van de gemiddelde loonontwikkeling bij overheid, semi-overheid en in de marktsector. Vele pensioenfondsen indexeren naar loonontwikkeling in de eigen sector. Andere volgen het waardevaste systeem. Willen deze straks aan de Van Zijl-norm voor premiereductie en uitkering aan werkgevers voldoen, dan zullen zij hun indexeringssysteem moeten wijzigen.

Dit alles met als belangstellende op de achtergrond de fiscus, die in zijn `Belastingplan voor de 21ste eeuw' laat weten dat belastingvrijstelling voor de pensioenfondsen niet meer vanzelfsprekend is als ,,een eventueel behaald voordeel toevloeit aan anderen dan de gepensioneerden.''