Geding tegen Orde van Advocaten

De Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA) moet een reeks regelingen intrekken die haar 10.000 leden onder andere onnodig beperkt in hun concurrentiemogelijkheden. Dat eist de Amsterdamse letselschade advocaat mr. G. Engelgeer in een procedure tegen de Orde die morgen dient voor de Haagse rechtbank. De Orde maakt misbruik van haar monopoliepositie, handelt in strijd met Europees en nationaal mededingingsrecht, stelt de raadsman van Engelgeer, mr. H.J.M. Boukema. Bovendien hanteert de orde regelingen voor haar leden, die kunnen worden aangemerkt als `steunmaatregel', terwijl die nooit door Brussel zijn getoetst. Eerder dit jaar werd Engelgeer door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in het gelijk gesteld toen hij de Orde concurrentievervalsing verweet, onder meer door een verbod op het werken op `no cure no pay' basis . Omdat hij dat verbod negeerde, heeft de Amsterdamse Orde een tuchtrechtprocedure tegen hem aangespannen.

Engelgeer maakt bezwaar tegen een aantal verordeningen die de NOVA haar leden heeft opgelegd. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de contributie. Engelgeer moet jaarlijks 1.200 gulden aan de Nederlandse en 600 gulden aan de Amsterdamse Orde betalen. Die financiële bijdrage wordt onder meer aangewend voor collectieve reclame, waaraan Engelgeer geen behoefte heeft. Verder dienen advocaten zich aan een strak regiem te houden als zij stagiaires in dienst hebben. Er is een boekhoudverordening, die advocaten – ook als zij alleen werken - dwingt het geld dat zij van derden onder zich hebben te laten beheren door een stichting met ten minste twee bestuursleden, die beiden advocaat zijn.

De Verordening Weduwen, Weduwnaars en Wezenpensioen waaraan advocaten moeten betalen, dient volgens Engelgeer te worden gezien als een verplichte solidariteitsheffing en is dus een `steunmaatregel', die aan de Europese Commissie voorgelegd had dienen te worden. Door de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking verliest een advocaat zijn onafhankelijkheid, zo meent Engelgeer. Tenslotte kent de Orde een Verordening op de publiciteit, die advocaten beperkt in het maken van reclame. Dat is in strijd met de mededingingsregels en de `freedom of commercial speech' die is verankerd in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Engelgeer bepleit geen afschaffing van de Orde. Daarvoor zou ook een wijziging van de Advocatenwet, die in 1952 van kracht werd nodig zijn. Volgens Boukema staat hem een op andere leest geschoeide Orde voor ogen, die ook werkelijk het algemeen belang nastreeft, bijvoorbeeld door mededinging een kans te geven. Er zou daartoe een scheiding moeten worden gemaakt tussen advocaten en procureurs.