Europarlement moet duidelijk zijn

In de crisis die leidde tot het aftreden van de Europese Commissie heeft het Europees Parlement zich laten leiden door dubieuze motieven zoals partijpolitieke belangen, vindt Frans Andriessen.

Er zal nog veel discussie worden gevoerd over het recente wapenfeit van het Europarlement: het collectieve aftreden van de Europese Commissie als gevolg van een institutioneel verwerpelijke poging van het Parlement om individuele Commissieleden te censureren.

Onderstreept moet worden dat niet het Europees Parlement zelf, maar een in goed overleg tussen Europees Parlement en Europese Commissie gevonden vluchtweg de trigger voor het aftreden van de Commissie is geweest. Het Parlement lijkt nu euforisch en voorspelt een fundamentele wijziging in de institutionele opzet van de EU en een substantiële versterking van de democratie. Zijn relatie met de Europese Commissie zal echter nooit meer zijn zoals zij was.

Natuurlijk is het aftreden van de Commissie als gevolg van parlementaire druk van essentiële betekenis. Het is zonder precedent in de geschiedenis van de EU. Maar tegelijkertijd is het weinig overtuigend. Over de sterkte van die druk kan men overigens zijn twijfels hebben. Bestond er aanvankelijk niet een zogenaamde motie van wantrouwen, juist bedoeld om vertrouwen uit te spreken? Van socialistische zijde, gezien de commissarissen, was dat politiek niet geheel onbegrijpelijk. Stemden parlementariërs aanvankelijk niet voor decharge van de Commissie, om zich ten slotte toch tegen het aanblijven van de Commissie te keren?

Wegens partijpolitieke overwegingen (Europese verkiezingen voor politieke partijen, de situatie in Duitsland voor de christen-democraten) heeft het Europees Parlement een zeer labiele rol gespeeld in het hele gebeuren. Dat kan misschien ook moeilijk anders in een parlement zonder institutionele traditie of ten opzichte van een Commissie, op wier samenstelling het Europees Parlement formeel wel enige invloed heeft maar die in feite aan het Parlement wordt opgelegd. De parlementaire fracties waren soms diep verdeeld en partijpolitieke afspraken hebben een grote invloed uitgeoefend. Mede tegen die achtergrond zag het Europees Parlement – dat uit was op een snel resultaat aan de vooravond van de Europese verkiezingen – af van zijn eigen prerogatief van het enquêterecht (het parlementaire controlemiddel bij uitstek), en belastte een commissie van `wijze mannen' met een onmogelijk onderzoek, omdat het zelf niet in staat was om tijdig `onderzoeksorde' op zaken te stellen. De Europese Commissie ging daarmee ten onrechte akkoord. In wezen betekende het de ontpolitisering van de affaire in het kader van aanvankelijke overpolitisering. Dat laatste lijkt bijna symptomatisch voor het Europees Parlement.

Alle euforie neemt niet weg dat het Europees Parlement nauwelijks (of niet) weet om te gaan met zijn weinige maar reëel bestaande institutionele bevoegdheden.

Het is alsof het Europees Parlement zijn tanden meer laat zien aan de Commissie dan aan de Raad van Ministers of de Europese Raad. En juist daar ligt de kern van de problematiek. De Commissie komt er immers door toedoen van de Raad. Alleen al daarom is dit Commissiedrama belangrijker voor de relatie tussen het Europees Parlement en de Raad van Ministers dan voor die tussen het Parlement en de Commissie.

Het Europees Parlement heeft geen strategie ten aanzien van institutionele zaken. Het kreeg het aftreden van de Commissie op een presenteerblaadje aangeboden. De Commissie trad af voordat het EP had gesproken, alsof de mening van de wijzen het politieke oordeel van het Parlement zou kunnen vervangen. Het Parlement zag niet alleen af van eigen onderzoek, maar kwam er ook niet aan toe een onafhankelijk oordeel te vellen op basis van het rapport van de wijzen. Dit gebeurde wel na aanvechting door de Commissie van dit rapport dat door de voorzitter `onevenwichtig' werd genoemd. Institutioneel is dit uiterst bedenkelijk. Desnoods strijdend ten ondergaan in de daarvoor aangewezen arena zou een onmisbare bijdrage aan de toch al zo schaarse institutionele praxis in de EU zijn geweest.

In wezen lopen èn het Parlement èn de Commissie weg voor hun institutionele verantwoordelijkheid: het Parlement door zich met een commissie van wijzen gemakkelijk af te maken van zijn eigen verantwoordelijkheid, en de Commissie door zich bij voorbaat bij het oordeel van de wijzen neer te leggen en in het verlengde daarvan een echte betekenisvolle parlementaire discussie uit de weg te gaan. Dat is allemaal niet echt `wijs', noch verheffend, ook al kan niet worden ontkend dat in de toekomst de Commissie een zwakkere positie ten opzichte van het Europees Parlement zal innemen.

Sommigen zeggen dat deze vergrote afhankelijkheid ten goede komt aan de verdere democratisering van de Unie. Het tegenovergestelde zal eerder het geval zijn, indien niet tegelijkertijd de Raad van Ministers macht inlevert aan het democratisch gekozen Parlement zodat het ook zijn Commissie is. Dat geldt ook als het Parlement institutioneel nog onvoldoende functioneert. Parlementen moeten kunnen leren van hun fouten.

Het blijft waar dat een niet als zodanig versterkt Europees Parlement gecombineerd met een zwakkere Commissie, ten opzichte van een Raad van Ministers die ongemoeid blijft, de democratie in de Unie verzwakt en niet versterkt. Dat de Raad van deze affaire iets heeft geleerd is uit niets gebleken. Ervan uitgaande dat (ondanks de halfjaarlijkse roulering) de Raad een institutionele continuïteit is, zou er nu een debat moeten plaatshebben tussen Raad en Parlement over de toekomstige spelregels voor het benoemen en functioneren van de Commissie. Uiteindelijk krijgt de Commissie een mandaat van de regeringen en tegelijkertijd een verantwoordingsplicht aan het Europees Parlement. Die positie is volstrekt uniek. De Raad kan hier niet vrijuit blijven gaan en de enige instantie die dit van de Raad kan afdwingen is het Europees Parlement. Helaas is tot nu toe in deze richting nog niet veel van het Parlement vernomen. En ook hier is weer de kernvraag of het Europees Parlement voldoende institutionele strategie heeft?

Na alle blunders van de afgelopen jaren zou het EP veel goed kunnen maken door in een constructieve maar pertinente slag met de Raad orde op zaken te stellen over de aanwijzing van de voorzitter en de samenstelling van de Commissie, op zodanige wijze dat de nieuwe Commissie weet waar zij aan toe is. De Raad kan ten opzichte van het Europees Parlement niet zonder verantwoordelijkheid blijven voor de nieuwe Commissie: Raad (lees: de regeringen) en Parlement aanvaarden samen de verantwoordelijkheid voor de aanstelling van de Commissie en leggen die ook vast in een institutioneel akkoord.

Dit is inherent aan een nogal hybride institutionele formule, waarin regeringen die geen verantwoording aan het Parlement verschuldigd zijn de Commissie benoemen die vervolgens aan een direct gekozen parlement verantwoording verschuldigd is.

Alleen als voor deze problematiek een adequate oplossing wordt gevonden, kan deze crisis binnen de Europese Commissie, die in feite een institutionele crisis is, iets goeds opleveren. Zoniet, dan kan Romano Prodi maar beter niet aan zijn nieuwe baan beginnen.

Prof.mr. F.H.J.J. Andriessen is voormalig Europees Commissaris.