De ziel van Seoul

Vanuit het vliegveld Kin Po is Seoul (spreek uit: Sool) in de verte zichtbaar: een massale, oprukkende witte muur van hoogbouwflats met 17 miljoen Zuid-Koreanen. Ze wonen merendeels in huurwoningen waar je voor 40-60 procent van de koopprijs huur van onbeperkte duur verwerft, een maatregel die stamt uit een tijd van kapitaalkrapte. Ook al stagneert hier sinds twee jaar de economische expansie, het bouwen gaat door. Ik tel naast de 23 bruggen die de kilometersbrede maar zeer ondiepe rivier de Han overspannen, er nog eens vijf in aanbouw. Plus snelwegen langs de oevers met opvallende grote auto's, uitsluitend van eigen makelij.

Tussen al die nieuwbouw en verkeer is de ziel van de stad een beetje zoek. Een volkenkundig museum toont geschenken aan de diverse naoorlogse Koreaanse presidenten, waartussen het onvermijdelijke Delfts blauw uit Nederland, en vondsten uit de steen- en bronstijd. Voorwerpen uit de periode daartussenin ontbreken.

De bezetting die Japan hier van 1910 tot 1945 uitoefende heeft diepe wonden geslagen. Elke vorm van Koreaanse geschiedenis die de Japanners aantroffen werd meedogenloos weggevaagd, zodat Korea nu geen zichtbare cultuurmonumenten meer bezit. Bovendien verdwenen talloze burgers tijdens buitenlandse dwangarbeid, onder wie vele tienduizenden Koreaanse `troostmeisjes'. Toch is het Koreaans nationaal bewustzijn ongebroken en de houding jegens Japanners opvallend mild. Ze brengen immers yens, genieten van vrijer vertier dan ze in eigen land kunnen vinden, en lijken zelfs in veel opzichten op de Koreanen. Alleen buigen de Japanners dieper en collectiever en lachen ze minder gemakkelijk.

Kort na het einde van het Japanse schrikbewind brak de Koreaanse oorlog uit, die tot nieuwe ellende en hongersnood onder de Koreaanse bevolking leidde. Mijn Koreaanse gastheer, die toen tien was, werd door zijn ouders bevolen vooral stil te zitten en niet te bewegen, anders kreeg je nog meer honger dan je al had. Alom bestaat de hoop op hereniging met de vele nog steeds hongerende familieleden in Noord-Korea, bij voorkeur via het Duitse model.

In het museum wijst een moeder haar jengelend kind op mij als een exotische bezienswaardigheid, een afleiding voor kinderverdriet. Of is het dat mijn bleekgezicht hier volgzaam kindergedrag moet afdwingen? Het heeft hier hoe dan ook nieuwswaarde. Op straat proberen kleuters giechelend `Hello' en `Hi' op mij uit, en breken verrast in onbedaarlijke lachbuien uit als hun groet door mij beantwoord wordt. Het werkt! Geen eelt op hun kinderziel.