Bizar beeld van homo-leven roept slechts gêne op

Eau de vie, het nieuwe stuk van toneelschrijver en -regisseur Karst Woudstra, gaat over `de uitzichtloosheid van het homo-bestaan, de onmogelijkheid van de fysieke liefde'. Zegt het programmavelletje. Roept de algemene strekking van die formulering al vragen op, de voorstelling zelf is nog vele malen cryptischer. Al rept de ronkende toelichting ook nog van `een meedogenloos portret van drie mannen die zonder terughoudendheid de finale verwoorden van een leven dat liefde en begrip ontbeert'. Bedoelingen vallen niet per se samen met resultaten.

Alsof het `homo-bestaan' inderdaad unieke dramatische thema`s behelst, dist Woudstra het hele scala aan cliché's op. Van ontkenning tot seksuele obsessie, van aids tot karikaturale imitatie van hetero-tradities en, omdat drama het van extremen moet hebben, voegt de van oudsher in psycho-analyse geïnteresseerde schrijver daar nog een vracht aan Freudiaanse poep en pies aan toe.

Drie personages torsen dit geheel; er is een paar waarvan de ene helft zich te buiten gaat aan anonieme seks en de andere zich met behulp van te veel drank koestert in heteroseksuele illusies. Een derde, een arts, wordt beschuldigd van pedofiele neigingen, omdat hij het opneemt voor het zoontje van een patiënt dat tegen zijn wil judo-lessen moet volgen.

Dit schreeuwend onrecht en schrijnende misverstand situeert Woudstra, die zelf regisseert, in een kaal, zwart toneelbeeld, waarin spotlicht per scène door de spelers zelf aangesleepte meubelstukken isoleert. Hangend op de Ikea-fauteuiltjes, bordurend onder de parasol en gehuld in leer dan wel zijden kimono's verwoorden Thomas de Bres, Folmer Overdiep en Ronald Top eindeloze babbeldialogen, die uitmonden in de bizarste apotheose die ik ooit aanschouwd heb, al kun je betogen dat die het logische gevolg is van de voorafgaande ruzies over onderbroeken `met remsporen'. De would be-hetero blijkt zich, gedreven door anale angsten, van onderen en van achteren al tijden niet gewassen te hebben. Hij wordt in een laveloze toestand overmeesterd door de andere twee personages en ervaart de louterende washand die zij door zijn bilnaad halen, ondanks zijn anale angsten, als verkwikkend. Donkerslag, einde voorstelling.

Wel heb je ooit.

Soms moet iemand tegen zichzelf in bescherming worden genomen, dat geeft niks. Had Woudstra, theatermaker van naam en faam, niet weerhouden kunnen worden van realisering van dit Eau de vie? Het zou een daad van medemenselijkheid zijn geweest van het Noord Nederlands Toneel. Maar te vrezen valt dat deze ongeëmancipeerde onzin, in al zijn kleinburgerlijke ambitie om te schokken, nog intimideert ook. Direct al in een van de eerste zinnen probeert het woord `darkroom' ontzag in te boezemen voor de zogeheten meedogenloze openhartigheid van de schrijver, `reetneuken', `pijpen' en de kennelijk onvermijdelijke poep moeten vervolgens de indruk versterken dat het hier om dwingende eigentijdse problemen gaat. Zoveel onverbloemdheid, is ongetwijfeld de veronderstelling geweest, moet het bot van de toeschouwer toch wel bereiken.

Nee en nog eens nee. De gêne die je onmiskenbaar bekruipt en de weerstand die daarvan het gevolg is, wortelen niet in overtuigende kracht, maar in al te evident onvermogen. Dit ongemak van het verkeerde soort doet je uiteindelijk in lachen uitbarsten. Onderdrukt uiteraard, ik ken mijn plaats. Wie weet ben ik bovendien nog niet rijp voor deze `regressie naar een kindertijd zonder bodem', zoals de folder het noemt. Je kunt het zo gek niet bedenken, zo bewijst immers deze voorstelling, of het is mogelijk.

Voorstelling: Eau de vie van Karst Woudstra door Noord Nederlands Toneel. Regie: Karst Woudstra. Decor: Wim Schermer. Spel: Thomas de Bres, Folmer Overdiep, Ronald Top. Gezien: 27/3, De Machinefabriek, Groningen. Aldaar: t/m 11/4. Tournee: t/m 12/5. Inl. (050) 311 3388