Wajong is niet hetzelfde als WAO

Bij alle veranderingen van de laatste jaren die erop gericht waren het volume arbeidsongeschikten terug te dringen zijn de zogeheten jonggehandicapten nagenoeg niet betrokken. Deze groep `arbeidsongeschikten' is sinds 1990 met zo'n 27 procent gestegen tot 118.700 eind 1998. Onderzoekers Aarts en De Jong komen op basis hiervan tot de conclusie dat een toenemend aantal jongeren zonder werkervaring de WAO ingaat (NRC Handelsblad, 17 maart). Zuiver statistisch gezien is dit juist, maar er kunnen wel kanttekeningen worden geplaatst bij de redenering die zij vervolgens opzetten.

Het aantal mensen met een Wajong-uitkering mag niet verward worden met jonge arbeidsongeschikte werknemers. Het is maatschappelijk gezien niet zonder reden dat de groep jonggehandicapten niet onder de tot dusver getroffen maatregelen viel. Deze groep is naar aard, hoogte van de uitkering en financiering niet zonder meer vergelijkbaar met mensen die hebben gewerkt en arbeidsongeschikt zijn geworden. Dat is ook de reden dat begin 1998 de Wajong in het leven is geroepen.

Op, in bijna alle gevallen, medische gronden is deze groep niet in staat aan de arbeidsmarkt deel te nemen. Bijna alle jonggehandicapten zijn volledig arbeidsongeschikt, een groot deel van hen verblijft in een inrichting. Voorzover bekend is de diagnose in zo'n 50 procent psychische oorzaken. Heel vaak betekent dit zware verstandelijke handicaps. Van een groep van ruim 30.000 is de diagnose onbekend, maar van deze groep verblijft de helft in een inrichting.

Vast staat ook dat ruim 8.000 jonggehandicapten een ernstige zintuiglijke handicap hebben. Bij nog eens bijna 7.000 mensen is sprake van een aangeboren afwijking. Alles bij elkaar betekent dit dat in zo'n 75.000 gevallen handicaps deelname aan het arbeidsproces onmogelijk maken.

Met andere woorden: men stroomt op jonge leeftijd in, en blijft vaak in de uitkeringssituatie totdat men overlijdt of 65 jaar wordt. Door de ontwikkeling van de medische wetenschap neemt de gemiddelde levensduur toe. Maar jonggehandicapten hebben geen zicht op verbetering van hun situatie. Integendeel, met het ouder worden verslechtert deze vaak. Omdat de regeling voor jonggehandicapten in 1976 is ingevoerd, is nog bijna niemand 65 jaar geworden. Pas als het bestand zich op het structurele niveau bevindt, komt de uitstroom op gang. Dit zal pas over zo'n 20 jaar het geval zijn.

Volgens Aarts en De Jong zouden meer reïntegratiegelden voor deze groep moeten worden ingezet. Zij stellen dat dit tot nu toe vrijwel niet is gebeurd. Dit is niet juist. Jaarlijks wordt een aanzienlijk deel van de beschikbare trajecten bestemd voor jonggehandicapten. Van het in 1998 totale aantal trajecten voor reïntegratie van 50.000 waren dit er 7.500.

Zeker mag ook niet vergeten worden dat bijna 21.000 jonggehandicapten werken in WSW-verband en nog eens 1.500 jonggehandicapten die met begeleiding op de werkplek (job coaching) aan de slag zijn. Vaak de enige mogelijkheid om hen maatschappelijk actief te laten zijn. Ze blijven dan wel meetellen bij het aantal uitkeringsgerechtigden, ondanks het feit dat ze werken.

Dat de jonggehandicapten tot dusver buiten de WAO-discussie zijn gebleven is, naar de mensen om wie het gaat, zeer verdedigbaar. Wie zich verdiept in de samenstelling van deze groep leert dat daar maatschappelijk gezien alle aanleiding toe is.

Mr. M.J.P.M. Kieviet en F.M. Roelofs zijn respectievelijk adjunct–directeur en secretaris van de commissie jonggehandicapten Lisv.