Veel te mooi voor dit gezin

In mijn jeugd had niemand in mijn omgeving geld. Wij waren niet echt arm thuis maar moeder was wel steeds blij als ze de week kon doorkomen. Stille armoede bestond niet. Je kon het aan de koppen zien. Onze overbuurman had de lepelziekte. Die loop je op door ondervoeding.

,,Wat krijgt die arme man voordat hij op zijn bakfiets stapt? Een boterham met margarine-krapsel, suiker als beleg en een plak koolraap voor tussen de middag. En zelf zit zijn vrouw tompoezen met pudding te eten zodra hij de deur uit is'', zegt onze benedenbuurvrouw.

Totdat hij tijdens een zware klim over het spoorwegviaduct van zijn bakfiets viel en moest worden opgenomen. Twee maanden tussen de sparrenbomen op de Veluwe en daarna met een bolle kop vol room en geklutste eieren terug naar huis, om weer van voren af aan te beginnen.

Maar in elk gezin van mijn vrindjes bevond zich een voorwerp waar grote waarde aan werd gehecht. Daar mocht je amper naar kijken en helemaal nooit aankomen. Dat kon van alles zijn. Bijvoorbeeld een koekoeksklok met beschilderde loden dennenappels als gewichten. Deurtje-open-deurtje-dicht; om het kwartier koekoek! Nooit heb ik zo vurig naar zoiets wonderbaarlijks verlangd. Een hertenkop met een gewei van echt hertenbeen. Wat zou die prachtig bij ons in de gang kunnen hangen. Maar nooit lang, dat wist ik ook wel. Mijn broertje leerde in het geniep voor echte uitvinder en zou meteen met het binnenste van de klok aan de slag gaan, om haarfijn uit te zoeken hoe dat gekoekoek precies in zijn werk ging.

Eén familie was in het bezit van een even begerenswaardig en uiterst kostbaar als wonderbaarlijk instrument. Wij noemden het een kiekkast. Het was een stereoscoop. Je schoof er een ansichtkaart met twee gelijke afbeeldingen in, als je door de kijkglazen keek, deed het wonder van de derde dimensie zich aan je voor. Het zat in een eikenkistje met een groen, vilten kleedje erover. Een ver familielid had het ooit in een nog verder land verworven. Het ding zou ten minste duizend gulden of meer waard zijn. Ondanks de nood van alle dag, of wat voor rampspoeden zich mochten voordoen, de kiekkast zou nooit en te nimmer het huis uitgaan.

Wij hadden thuis niks.

Niet eens een Agfaboxje, dat je bij De Gruyter met kassabonnen bij elkaar kon sparen. Bij ons was alles altijd zoek, kapot of weg. Een antieke petroleumlamp zonder kap of glas. Een spiegelkast waarvan de deuren nooit samen dicht konden. Een strijkbout waar moeder heel voorzichtig mee moest omgaan, omdat anders de stoppen doorsloegen en we dan de hele avond in het donker zaten, en er natuurlijk geen reservestoppen in huis waren.

Toen kwam vader.

Hij bracht een papegaai mee. Van porselein! Wat een pracht. Wat een kleuren. De veren leken wel echt. Zijn schitterende kuif die zo sierlijk en ragfijn boven zijn glazuren kop krulde. Hij zat op een tak waaraan een tropische vrucht hing. Een klauwtje hield zich er stevig aan vast, terwijl de andere in de ruimte tastte alsof het dier elk ogenblik van plan was op te vliegen naar zijn kleurrijke, babbelzuchtige soortgenoten in het Zuid-Amerikaanse regenwoud.

Uiterst voorzichtig werd hij op de ietwat naar links hellende schoorsteenmantel gezet, naast de pendule waarvan de sleutel al jaren zoek was. ,,Hij lijkt zo echt, dat hij je elk ogenblik zou kunnen toespreken'', zei vader. Hij vond het geen goeie plek. Als moeder van de winter de kachel zou oprakelen... Beter op het stuk lege boekenkastplank, waar ook de radio stond. Als je die aanzette kon je al gauw met je elleboog een tikje tegen de papegaai geven. Op de kast dan? Dat zou jammer zijn, dan zag je hem amper. Op het theekastje? Tussen de kopjes? Ook geen gezicht. De vogel verdiende een in het oog lopende plaats in ons gezin. Op de schrijftafel uit de buurt van de telefoon. Maar dan stond hij weer op de hoek waar het gordijn werd open- en dichtgetrokken.

Nu begon onze levenloze vogel zijn eindeloze vlucht door de woonkamer. Dan weer stond hij hier, dan weer daar.

Hij werd hét angstobject in huis. Elk ogenblik kon vader komen om vast te stellen dat er weer een stukje aan mijn papegaai ontbrak. Als hij Velpon rook wist hij hoe laat het was. Linkerpoot beschadigd. Snavel stuk. Staart kapot. Kuif plotseling geheel en al verdwenen. Wie had die zo laf, wijzend op een volledig onschuldige, zo vals verdonkermaand?

Op een dag maakte hij een fatale doodsmak op de kachel. Mijn broertje sloeg aan het lijmen, maar er ontbraken te veel tussenstukjes zodat onze arme papegaai plots een bult kreeg, omdat zijn kop alleen nog achterstevoren op zijn gehalveerde rompje paste.

,,Zet er maar een vaasje voor'', suste moeder. ,,Vader let de laatste tijd niet meer zo op hem.'' Nou, mooi wel.

Zondagmiddag aan tafel. Zomer. Buiten op het kerkplein koeren de duiven. Vaders ijzige gezicht. Stilte. Wij volgen allemaal zijn blikken. Welke lul heeft opzettelijk en vol achterbaks geniep het vaasje verplaatst? Mijn broertje kijkt naar het plafond. Vader ziet de papegaai die als een dwerg zonder poten, zonder kuif, zonder staart met alleen nog een bult naast het vaasje staat weggedrukt. Hij pakt het misvormde oerwoudpratertje op en werpt het met een zwierig gebaar door het geopende raam naar buiten.

,,Ik had het kunnen weten dat zoiets moois in dit gezin niet thuishoort.''

,,Het lag aan zijn ogen'', zegt moeder. ,,Hij had een gluiperige blik. Ik ben blij dat dat kreng de deur uit is. Wat een rust.''