Column

Oorlog

Het is een lekkere, waterzonnige dag om over de oorlog te schrijven. Toen sport nog sport was, de Champions League nog gewoon Europa Cup 1 heette en de PTT Telecompetitie door het leven ging onder de tien keer mooiere roepnaam Eredivisie, toen heette de F-side nog gewoon Vak F. En daar stond ik elke veertien dagen. Jaren lang. Jongenskaartje 50 cent! En wat deed vak F? Vak F zong. Onschuldige, jodenloze liedjes. Het ging over kampioen worden, de beste zijn, meer niet. Watjes waren we, maar aardige watjes.

Toen ik te oud was voor de jongens schoof ik een vakje op en hoorde hoe het repertoire veranderde. Het woord kanker werd enorm populair, het knokken begon, daarna kwam het gooien, toen het slopen en nu is de oorlog totaal.

Ik ben er al aan gewend.

Afgelopen week speelde ik in Limburg en las in een regionale krant een interview met een Maastrichtse Ajax-fan van elf (!), die samen met zijn vader naar MVV-Ajax is geweest. Het kereltje had zich er weken op verheugd. Omdat hij in het zuiden woont had hij kaarten voor een MVV-vak gekregen, binnen gooi-afstand van de Ajax-supporters. Het kereltje werd getroffen door een stalen ster, die van de muur gesloopt was. Ernstig gewond aan zijn bovenarm verliet hij schreeuwend het stadion en gaat nooit en nooit meer.

Mijn zoontje is acht en ik heb hem twee jaar geleden beloofd: als je acht bent mag je mee naar Ajax-Feyenoord. Het kind heeft er naar toe geleefd. Gisteren vertelde hij dat hij mazzel had omdat er dit jaar twee keer Ajax-Feyenoord is. Veertien april voor de beker en twee mei voor de competitie. Veertien april mag ik gelukkig spelen en kunnen we dus niet, maar nu zit ik nog met twee mei. Ik merk dat ik niet wil, maar ik weet niet hoe ik het hem moet vertellen. Ik hou namelijk zo van dat jochie. Ik denk maar dat ik 's avonds zeg: `Da's dom van papa, is hij helemaal Ajax vergeten.'