Ontroering door de lange stilte op Golgotha

Een eeuw geleden, op 8 april 1899, begon dirigent Willem Mengelberg met het Concertgebouworkest en het Toonkunstkoor de Amsterdamse traditie van de Palmzondag-uitvoering van de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach.

De uitvoering van de Matthäus Passion gisteren, op Palmzondag 1999, onder leiding van Riccardo Chailly, betekende meer dan een jubileum-uitvoering op de geboortedag van Mengelberg. Het was in tal van opzichten een historische uitvoering. De belangstelling daarvoor was zó groot, dat tijdens de voor het publiek opengestelde repetities en de vooruitvoering van afgelopen vrijdag al 8000 mensen in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw kennis konden nemen van Chailly's Matthäus Passion. Gisteren werd de uitvoering bovendien uitgezonden door radio en tv.

Voor het eerst sinds de dood van Eduard van Beinum in 1958 werd de traditionele uitvoering weer geleid door de chef-dirigent van het Concertgebouworkest. Chailly voert Bachs lijdensmuziek uit volgens voor Amsterdam nieuwe uitgangspunten, die wel terugzien op een eeuw Matthäus-traditie, maar tegelijkertijd ook eigentijds en hoogstpersoonlijk zijn. En historisch was tevens het artistiek-muzikale en emotioneel-religieuze belang van Chailly's sterk betrokken en ontroerende uitvoering. Die mag in de lange, rijke en stilistisch vaak zeer omstreden traditie, worden gerekend tot een hoogtepunt.

De uitvoering van gisteren betekende ook in een aantal opzichten een keerpunt ten opzichte van de traditie. Die was sinds 1975 onder leiding van Nikolaus Harnoncourt veranderd met elkaar alternerende uitvoeringen van de Matthäus Passion en de Johannes Passion. Chailly is van plan op Palmzondag weer uitsluitend de Matthäus Passion uit te voeren. Maar dat herstel van de oorspronkelijke traditie komt pas in 2002. Volgend jaar, wanneer Chailly op Palmzondag niet in Amsterdam is vanwege een eerder door Chailly aangegane verplichting om te dirigeren tijdens het eeuwfeest van het Philadelphia Orchestra, zal nog een keer de Johannes Passion worden uitgevoerd onder leiding van Philip Herreweghe. In 2001 zal, terwijl het Concertgebouworkest op tournee is, de Matthäus Passion door een ander orkest worden uitgevoerd.

De Matthäus van Chailly is de herovering van Bach door de belangrijke dirigent van symfonische en eigentijdse muziek op de `authentieke' barokspecialisten, zoals Harnoncourt, Koopman, Brüggen en Herreweghe. De laatsten dirigeren ook steeds meer 19de-eeuwse en soms zelfs twintigste-eeuwse muziek. Chailly doorbreekt nu het langzamerhand gegroeide Bach-monopolie van de `specialisten' waardoor bij de topuitvoeringen alleen nog het `authentieke' was geoorloofd of het quasi-`authentieke', zoals dat door rekkelijken als Harnoncourt, Koopman, Brüggen en Herreweghe werd gepraktizeerd bij het `moderne' Concertgebouworkest.

Naast het puur `authentieke' van een Bachfundamentalist als Gustav Leonhardt en de in 1975 door Harnoncourt geïntroduceerde Amsterdamse hybride vorm daarvan, betreedt Chailly nu een derde weg. Deze mutatie van de Bachstijl zal bij sommige Bachliefhebbers omstreden zijn en worden gekwalificeerd als `licht romantiserend' of `regressief'. Maar het was na jarenlange stilistische convergentie tijd voor nieuwe inititatieven. Bachs grootste werk is zó belangrijk, dat het inzet mag zijn van een hernieuwde richtingenstrijd. Bovendien verlopen uitvoeringsstijl en publieke appreciatie altijd volgens golfbewegingen. En gezien de enthousiaste publieke reacties betekent Chailly's Matthäus een Bachstijl waaraan nu sterke behoefte bestaat.

Het bijzondere van Chailly's Matthäus is dat men er – anders dan destijds bij Harnoncourt – niet aan hoeft te wennen, maar dat die meteen overtuigt. Het is een geheel dat in zichzelf klopt, opgebouwd vanuit één visie, waaraan het met openlijk genoegen spelende Concertgebouworkest, het Groot Omroepkoor en de solisten bijdroegen onder volstrekte en gedetailleerde controle van Chailly.

Even bijzonder is dat Chailly's Matthäus voor een deel de Amsterdamse traditie laat horen - van Mengelberg tot en met Harnoncourt. Dat is geen terugkeer naar het verleden, of een een synthese van verschillende stijlen. Hier wordt voortgebouwd op een fundament, het is zoiets als overdekken van een piramide met een nieuwe buitenkant, waardoor het oude onder het nieuwe herkenbaar blijft.

De solisten staan net als bij Mengelberg weer vooraan, er is veel dynamische variatie, de baslijnen zijn stevig, de klankkleur is vaak donker, fermates klinken lang uit, ook bij het koor: `Wie ein Lammmmmm.' Het `Barrabam!' en de aardbeving mogen donderen, sleutelwoorden als `schwach', `Mörder', en `töteten' worden sterk uitgelicht. Maar ook Harnoncourts scherpe ruimtelijke scheiding tussen de twee orkesten en zijn flitsende koren vinden we bij Chailly terug. Zijn tempi zijn meestal wat langzamer en daardoor vrijwel ideaal. Zo klinkt het slotkoor mij voor het eerst sinds vele jaren weer als `juist' in de oren, ook door het gevoelig toegepaste diminuendo, zodat hier hoorbaar sprake is van `sanfte ruh'.

Geheel eigen aan Chailly's Matthäus is zijn greep op het geheel, de opbouw van de dramatische spanning over de 78 nummers heen. Daar blijkt zijn opera-ervaring, zonder dat er hier overigens sprake is van een operastijl. Er vallen geen stiltes door het verspillen van tijd als gevolg van het opstaan en gaan zitten van het koor. De koorbewegingen gebeuren geruisloos tijdens de muziek, zodat het verhaal doorgaat. De stiltes vallen in deze door tekstbegrip uitmuntende versie juist op inhoudelijk betekenisvolle plaatsen, zoals `schlafend', `schwieg stille', `und flohen': steeds langduriger tot de zeer lange stilte na Christus' dood op Golgotha – `und verschied'.

De emotionerende werking daarvan is groot, al was die vrijdagavond bij de vooruitvoering roerender en tranenverwekkender dan gisteren. Evangelist Christophe Prégardien was zondag niet erg bij stem, hij sloeg af en toe over en hield zich in zijn expressie duidelijk in, waardoor een deel van zijn scherpte en ontzagwekkende dramatiek verloren ging. Dat was voor een deel eveneens het geval bij Detlev Roth (Christus) die last had van bronchitis en ook de tenor Kenneth Tarver - een uitstekend alternatief voor een countertenor – was gisteren iets minder overtuigend dan vrijdag.

De stemmen van sopraan Lynne Dawson en alt Petra Lang mengden prachtig in So ist mein Jesus nun gefangen. Het etherisch-zacht gezongen Aus Liebe – prachtig begeleid – klonk bij Dawson als een eerbetoon aan de in dit nummer onvergetelijke Arleen Augér. Petra Lang zong gisteren iets minder expressief dan vrijdag, maar haar door violist Alexander Kerr fraai begeleide Erbarme dich was bijzonder. De bassen Geert Smits en Peter Mattei waren het opmerkelijkst. Smits zong als Judas, hogepriester en Pilatus met grote inzet. Mattei is een begenadigd zanger als hij zich wat inhoudt en zijn energie richt op gevarieerde expressie, zoals in Komm süsses Kreuz.

Als er een bruikbaar geluidsspoor bestaat van de tv-repetitie van vrijdag, zou dat op cd als een jubileum-document moeten worden toegevoegd aan de schamele Amsterdamse Matthäus-discografie, die slechts opnamen telt van Mengelberg (1939), Jochum (1965) en Harnoncourt (1985). Die vooruitvoering was van de talloze Matthäus-uitvoeringen die ik hoorde de ontroerendste.

Concert: Matthäus Passion van J.S. Bach door Koninklijk Concertgebouworkest, Groot Omroepkoor, Roder Jongenskoor en Omroep Jongenskoor o.l.v. Riccardo Chailly. Gehoord: 26, 28/3 Concertgebouw Amsterdam.