Marokkanen onderaan de ladder

Etnische minderheden zijn er de afgelopen jaren nauwelijks in geslaagd hun sociaal-economische positie te verbeteren. De driedeling in de maatschappij blijft, zo blijkt uit een grootschalig onderzoek.

Zeker, de werkloosheid onder etnische minderheden is de afgelopen vier jaar gedaald. Flink zelfs: met een derde onder Marokkanen en Turken en met bijna de helft onder Surinamers en Antillianen. Maar tegelijkertijd nam ook de werkloosheid onder autochtonen met veertig procent af tot 3,6 procent. De balans: Marokkanen en Turken zijn nog steeds ongeveer vijf keer zo vaak werkloos als autochtonen. En Surinamers en Antillianen hebben drie keer zo vaak geen baan.

Maar de arbeidsmarkt is slechts één maatstaf. Bij het onderwijs moet de vooruitgang van allochtonen met een vergrootglas worden gezocht, zo blijkt uit een grootschalige studie naar de positie van etnische minderheden. Heel geleidelijk komen er een paar procent meer Surinamers, Turken, Antillianen en Marokkanen met een hoge opleiding.

De cijfers zijn afkomstig uit een recent afgerond en nog niet gepubliceerd onderzoek van het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO). In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken onderzoekt het ISEO sinds 1986 ongeveer om de vier jaar de positie van minderheden in Nederland. Voor de laatste studie, uitgevoerd in samenwerking met het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), werden zesduizend allochtone en 1.500 autochtone huishoudens geënquêteerd. Het is verreweg het meest uitgebreide onderzoek naar minderheden dat in Nederland wordt gedaan.

Werk, school, gezondheid of huisvesting: vrijwel alle gegevens bevestigen het beeld dat de kloof tussen autochtone Nederlanders en etnische minderheden de afgelopen jaren nauwelijks kleiner is geworden. Het inkomen in Nederland is bijvoorbeeld nog altijd heel scheef verdeeld. Nederlanders verdienen gemiddeld vijfhonderd gulden netto per maand meer dan Surinamers en ruim duizend gulden meer dan Marokkanen. Twee procent van de Marokkanen verdient meer dan 3.500 gulden per maand, tegen twintig procent van de autochtonen.

,,Het heeft iets tragisch'', zegt hoogleraar en ISEO-directeur Justus Veenman. ,,Terwijl minderheden heel langzaam enige vooruitgang boeken, neemt de werkloosheid onder autochtonen ook af en volgen zij steeds hogere opleidingen. Daardoor lopen minderheden hun achterstand niet in.''

Toch is er een uitzondering. Surinamers doen het steeds beter. De werkloosheid is gedaald naar tien procent, het opleidingsniveau van jongeren zit in de lift. Minder Surinamers zijn afhankelijk van een uitkering en het gemiddelde inkomen stijgt langzaam. Ter indicatie: van de jongste onderzochte Surinamers, tussen de 12 en 14 jaar, gaat veertig procent naar de Havo of het VWO. Bij autochtonen is dat 44 procent, een bijna verwaarloosbaar verschil.

,,Er is duidelijk een driedeling in Nederland'', zegt Veenman. ,,Surinamers en Antillianen nemen een middenpositie in. Turken en Marokkanen doen het het slechtst.''

Maar de `middenpositie' van de Antillianen vertoont wel scheurtjes. De eerste generatie Antillianen die jaren geleden naar Nederland kwam, doet het goed. Hun kinderen volgen vrij massaal de hogere opleidingen en slagen er als enige in de achterstand op de autochtonen in te lopen. Maar door de recente komst van een grote groep slecht presterende jongeren is de kloof de afgelopen jaren vergroot. Het percentage Antillianen dat naar de Havo of het VWO gaat is gekelderd, het aantal voortijdige schoolverlaters is gestegen. ,,Je kan niet zeggen dat de Antillianen het slecht doen. Het is een gespleten gemeenschap'', aldus Veenman.

Dat gaat niet op voor de Turkse gemeenschap, waar bijna veertig procent een baan vindt via iemand uit de eigen groep. ,,Dat is kenmerkend voor de Turkse gemeenschap: een beetje in zichzelf gekeerd'', aldus ISEO-onderzoeker Edwin Martens. De positie van Turken is langzaam aan het verbeteren, zo blijkt uit het onderzoek, maar er schort nog veel. Ruim zeventig procent van de Turken verdient minder dan 2.300 gulden per maand. Een derde van de Turken heeft minder dan één kamer per persoon beschikbaar, tegen drie procent van de autochtonen.

Onderaan elke tabel bevinden zich de Marokkanen. Ze zijn het vaakst werkloos, volgen het minst hoge opleidingen, verdienen het slechtst en wonen het belabberdst. Bovendien wordt er nauwelijks tot geen vooruitgang geboekt. Het idee dat Marokkaanse meisjes het veel beter doen dan jongens, blijkt niet uit de cijfers. Ze gaan weliswaar vaker naar de Mavo, maar niet vaker naar een hogere opleiding dan de jongens. Ze zwaaien vaker – een kwart tegen een vijfde – af zonder diploma. En zowel onder de Marokkaanse meisjes als jongens is de werkloosheid rond de twintig procent.

Minister Van Boxtel (Integratie) heeft zich tot doel gesteld de werkloosheid onder etnische minderheden de komende vier jaar te halveren. Hij verwacht veel van het `etnisch ondernemerschap' van allochtonen. Eigen zaakjes beginnen, dat moet helpen. In verschillende steden zijn begeleiders aangesteld, de Kamers van Koophandel moeten ook meewerken. Uit het ISEO-onderzoek blijkt dat er ook op dit punt nog een grote kloof gaapt. Eén op de tien autochtonen is eigen baas, tegen één op de twintig Turken.

Bij Marokkanen, Surinamers en Antillianen is het nog lager.