Een winnaar met geheimen

Alsof voetbal is bedacht door een mysticus. Zo heeft hij zich altijd over de velden bewogen. Dansend en zwevend. Zo heeft hij altijd over het spel tussen man en bal gepraat. Zacht en bedachtzaam. Zo koestert hij nu zijn voetballers. Zalvend en vaderlijk, begaan met hun lot en betrokken bij hun kijk op het leven. Voetbal is voor Frank Rijkaard meer dan een manier van overleven. Voetbal is het leven zelf.

Vaak wekt hij de indruk in een andere wereld te verkeren, ver weg, hoog boven ons verheven. Dan heeft hij zijn blik naar binnengekeerd, alsof hij in zijn hart kijkt en zich afvraagt of zijn verstand wel de boodschap van zijn gevoel hoort. Dan plooit hij zijn gezicht tot een mysterieuze glimlach, zoals we die kennen van verlichte geesten. Frank droomt dan niet, Frank denkt dan na. Of het echt zo is wat hij hoort, ziet en voelt.

Ondoorgrondelijk is hij voor mensen die hem niet van nabij kennen. Wat bezielt deze zachtaardig lijkende man om zich in het geweld van de voetbalwereld te begeven? Praat met hem over vuur en passie en zijn ogen vlammen, zeggen degenen die hij tot zijn binnenste heeft toegelaten. Kijk eens terug op zijn leven als voetballer, hoe hij zich liet gaan. Bij het speelse Ajax, bij het machtige Nederlands elftal en het superieure AC Milan van Van Basten, Gullit, Ancelotti, Donadoni en Baresi, waar hij voor het eerst zijn voetbalhart hoorde kloppen.

Zelden onbeheerst, maar altijd dreigend, sluipend en rennend als een cheeta door het gras op jacht naar een prooi. Zo voetbalde hij. Natuurlijk moet Frank winnen. Als voetballer en als coach. Zoals hij vroeger als jongetje op het Balboaplein met zijn vriendje Ruud Gullit en andere Surinaamse vriendjes moest winnen. Wie niet voetbalt om te winnen, kan niet voetballen.

Zo jong en dan al coach van het Nederlands elftal. Pas 36 jaar en nauwelijks ouder dan de jongens met wie hij volgend jaar de Europese titel moet behalen. Hij is geen man die in de schoolbanken het trainersvak heeft geleerd van mannen die theorieën over tactiek, techniek en psychologie uit boekjes voorkauwen. Rijkaard teert op zijn ervaring als voetballer in grote elftallen, op zijn inzicht en zijn gevoel. Alles wat hij niet weet, ziet of voelt, vraagt hij aan zijn assistent Johan Neeskens, een man die bloed aan de paal heeft geroken, of gewoon aan zijn grote vrienden, de spelers zelf. Met een arm om de schouder, een koesterend gebaar en een glimlach meent hij wonderen te kunnen verrichten.

Rijkaard lijkt te verkeren in een permanente staat van tevredenheid. Niets is erg, niets is vervelend, niemand is slecht en niemand is rijp voor de slacht. Alles is goed bedoeld, iedereen verdient een nieuwe kans. Hij gedraagt zich saai en mild. Als een sociaal werker die bij voorkeur medeleven toont, als een door God gezonden duif die nooit op een mensenhoofd poept. Soms denk je na die zalvende woorden: godver, zeg eens wat bijzonders, doe niet zo lullig, spuw gal, laat het donderen en bliksemen, zeg eens iets wat tot nadenken stemt.

Met hem als coach de oorlog winnen? Dat zou een wonder zijn. Maar dat is over hem als voetballer ook gezegd. Toch won hij met Ajax, Milan en het Nederlands elftal vele oorlogen. Door zichzelf te zijn, als een voetballer met een zwevende maar doortastend tred. Een voetballer om van te houden. Nu is hij coach, een om van wakker te liggen. Alleen door die glimlach. Rijkaard is niet degene die hij lijkt. Hij is een winnaar met geheimen.