De betekenis van Pasen

Het is de week voor Pasen, de week die in Spanje de `Semana Santa' wordt genoemd, de heilige week. Ze zullen daar weer in processies door de straten trekken, grote versierde draagbaren torsen waarop een reusachtige, realistisch huilende Maria, of een magere Christus aan het kruis, of een moeder en dode zoon. Voor de praalbaar lopen figuren met puntige kappen over hun hoofd die er onzegbaar luguber en Ku Klux Klan-achtig uitzien, er achteraan komen soms Spaanse vrouwen met zwarte mantilla's, soms trommelaars of plechtig kijkende kinderen en bijna altijd trompetters die een bijzonder schril en schrijnend geluid uit hun instrumenten weten te krijgen. De draagbaren zijn zo zwaar dat ze geregeld neergezet moeten worden en dan komen er wel vijftig of vijfenzeventig mannen onder vandaan die hun bezwete hoofden afvegen. Na een poosje kruipen ze er weer onder, er wordt tegen het hout een sein geklopt, de baar gaat met een ruk omhoog, het beeld trilt en zwiept en dan lopen de mannen met precies gelijke pasjes op hun espadrilles weer zo'n honderd à tweehonderd meter verder onder het jammerlijke trompetgeschrei.

Het is enorm theatraal allemaal, en ook, waarschijnlijk juist daardoor, aangrijpend. Op een plein volgepakt met mensen wordt een Christus aan het kruis de kerk uitgedragen, hij ligt nog schuin achterover om door de deuren te kunnen. Buiten wordt het kruis omhoog getrokken, tot het trillend overeind staat. Dan, terwijl iedereen naar de zeer natuurgetrouw uitgevoerde, zeer lijdende Christus kijkt, klinkt een vrouwenstem door de stilte. Ze zingt. Haar stem klaagt aan, beweent, betreurt, roept om getuigen – haar stem vult het plein. Ik weet niet wat ze zong maar het moest wel neerkomen op iets als `zie de mens, beween hem'.

Dat is nog eens paasvoorbereiding. Schitterend. Tegelijkertijd is het ook ontzaglijk doodsdriftig allemaal, zoals het katholicisme in Spanje toch wel van een bijzonder zware en bloederige soort lijkt. Elke kerk is versierd met doodshoofden en beenderen, het wemelt overal van de kruisen en de memento mori's, en de in processie rondgedragen beelden zijn zoals gezegd, heel realistisch. Nog niet zó realistisch als het Christusbeeld dat sinds kort in de Jozefkerk in Tilburg hangt. Dat beeld heeft oksel– en borsthaar, net echte ogen en bovenal ziet het er gemarteld uit. De geselaars hebben diepe voren in de huid geslagen waar het bloed uitdruipt, de doornenkroon heeft het voorhoofd zo kapotgemaakt dat de snor kleeft van bloed. Het is gruwelijk, van een afstotelijke lijdenswellust, die niet, zoals in Spanje, gered wordt door opvoeringskunst. Je ziet er het verschil aan tussen theater, waarin iets `echt' gemaakt kan worden en tegelijkertijd symbolisch kan zijn, en realisme. De Christus van Tilburg is geen symbool meer maar een persoon, je zou met hetzelfde ellendigmakende effect kunnen kijken naar een ander gemarteld lichaam, dezelfde weerzin voelen, hetzelfde medelijden. Of, aangezien het om kunst gaat, hetzelfde gevoel krijgen naar kitsch te kijken.

Nu hoeft men Christus natuurlijk niet als een symbool te zien, maar juist de grote feesten zoals Kerstmis en Pasen vragen daar wel om. Want Pasen wordt niet gevierd wegens de kruisiging, al lijkt dat soms wel het hoogtepunt, of in ieder geval het brandpunt van de aandacht. Pasen wordt gevierd wegens de wederopstanding. Vroeger werd daar altijd bij gezegd `in den vleze', maar dat hoor je nu minder.

Want zoals H.M. Kuitert het ook onomwonden uitdrukte in zijn laatste boek, een lijk wordt niet meer levend. Dat staat niet op.

Pasen wordt niet meer zo vaak letterlijk genomen, al worden er in kerken wel verwonderlijke teksten gezongen als `mij wacht niet de dood, ik mag leven'. Maar veel moderne theologen en gelovigen nemen dat niet zo letterlijk, voor hen betekent wederopstanding, Pasen, vooral dat er nieuw leven mogelijk is, dat er na iets wat het einde leek - en daar weet iedereen wel voorbeelden van – toch weer mogelijkheden zijn. Christus is opgestaan in de geest, in de bijbeltekst, in de viering en de herinnering – hij is niet dood want hij, zijn leer en nagedachtenis, wordt levend gehouden. Of niet natuurlijk, dan betekent Pasen dat het weer lente is, wat voor een deel op hetzelfde neerkomt.

Over de betekenis van de kruisdood zelf, over `de verzoening' tussen God en de mensen, en over wie er dan met wie verzoend moet worden en van wie dat idee eigenlijk uit is gegaan, is de laatste twee jaar nogal veel geschreven. Van de traditionele gedachtegang daaromheen wordt veel overboord gezet. De gedachte dat God bloed zou willen zien, en nog wel het bloed van zijn eigen zoon, is voor velen onverdraaglijk. Anderen vinden dat een verkeerde interpretatie. De Poolse filosoof Leszek Kolakowski vindt de God die eerst boos is, dan zijn zoon stuurt om hem te laten martelen en dan weer goed is, een absurde voorstelling van zaken en zo moet je het volgens hem dan ook niet zien. Hij meent dat het gaat om een diepgeworteld gevoel in mensen van `kosmische rechtvaardigheid': uiteindelijk zal er geen straffeloosheid kunnen zijn. Dat is overigens precies wat Kuitert ook schrijft – dat als er nog iets is waarin hij gelooft dat wel een laatste oordeel is. Maar Kolakowski gebruikt dat argument anders: Jezus liet zich vrijwillig straffen voor de anderen, hij nam de schuld op zich. En hij kon dat doen omdat hij goddelijk is, wij mensen zijn te zwak om de keten van schuld te doorbreken, genade is niet onze eigen verdienste.

Eerlijk gezegd kan ik nooit goed begrijpen waarván wij dan verlost zijn – van schuld? Van welke schuld dan? Van het kwaad? Kijk om je heen. Er wordt ook wel gezegd dat deze dood de `genade' heeft mogelijk gemaakt – er kan genade zijn voor ons, om niet. Dat is al beter te begrijpen, gesteld dat je een invulling zou weten te vinden voor het woord `genade'. Ik weet daar niet veel beters op dan woorden als `vreugde' of `dankbaarheid' – dat het soms genoeg is om alleen maar in leven te zijn, dat je je daar dankbaar om kunt voelen, dat dat voelt als iets wat je gekregen hebt. Misschien is dat een gevoel dat in de buurt komt van wat men bedoelt met `genade'. Maar de betekenis van Pasen is daarmee nog niet geheel opgehelderd.

Vorige week was er op de Belgische televisie een reportage over medewerkers van de Waarheidscommissie in Zuid-Afrika, over hoe ze de mensen motiveerden om te getuigen, je zag ze die getuigenissen opschrijven, je zag degenen die zojuist allerlei ellende hadden verteld in een zingende groep naar een begraafplaats gaan, je zag ze praten over hoe nu verder. Als iets `Pasen' is, dan is het wel wat daar is gebeurd. Na geweld en dood, na de vernietiging van het leven is er wederopstanding, verlossing zelfs, soms een moeizame poging tot verzoening. Verzoening is erg moeilijk.

Maar bij dit soort Pasen is er gelukkig niemand die ons wil zeggen dat die dood en verwoesting eerst plaats moesten hebben, dat die voorwaarde waren voor de verlossing. Dat is wat het paasverhaal zo ingewikkeld maakt, dat de dood zelf zin moet krijgen, dat er expres gestorven moet zijn, om ons. Terwijl de natuurlijke neiging is om te denken: het had helemaal niet mogen gebeuren. Het enige wat ermee gedaan kan worden is een poging om er achteraf niet nog meer door vernietigd te worden. Achteraf wordt er veelzeggend theater van gemaakt, achteraf komen de woorden: wederopstanding, verlossing, verzoening. De gevolgen van iets dat nooit had mogen plaatshebben, gevolgen die beter zonder oorzaak hadden kunnen blijven. Veel klagen en bewenen, liefst zo mooi mogelijk, is wel op zijn plaats. En daarna weer verder, met kleine stapjes.