Cubaans honkbal verlost uit zijn stoffige isolement

Voor het eerst in veertig jaar speelde een honkbalteam uit de Amerikaanse Major League in Havana tegen de nationale ploeg van Cuba. Voor de ogen van Fidel Castro boekten de glamourboys uit Baltimore een bescheiden zege.

,,Wat een verschrikkelijke wedstrijd!'' De jonge Cubaan zit op de stoep van zijn vervallen huisje. Hij weet niet goed of hij blij moet zijn of verdrietig. Cuba heeft verloren. Dat wel. Maar slechts met 3-2, en pas na verlenging. God, wat waren ze goed. ,,Vóór de wedstrijd dacht ik echt dat we ingemaakt zouden worden'', zegt hij opgelucht. Nu blijkt dat de onderbetaalde Cubaanse staatsamateurs zich echt kunnen meten met een professioneel Amerikaans glamourteam als de Orioles uit Baltimore. Tot het laatst bleef het spannend. Tot het laatst vocht Cuba terug. ,,Ik heb geen hart meer in mijn lijf'', zegt de jongen, en laat zich uitgeput achterover vallen.

Voor Cuba is honkbal wat voor de rest van Latijns-Amerika voetbal is. Passie, gekte, en een grote uitbarsting van vaderlandsliefde. Het was een ramp dat de socialistische revolutie van Fidel Castro ook het einde betekende van de wedstrijden tegen het even honkbalgekke Verenigde Staten. Veertig jaar lang heeft Cuba het moeten doen met spelletjes tegen Venezuela, Mexico en ook Nederland. Grote Cubaanse honkballers liepen over naar rijke Amerikaanse clubs. En het eiland bleef achter in zijn stoffige isolement.

En daar stapte Fidel Castro gisteren over de grasmat van het honkbalstadion van Havana. Hij sloeg de Amerikaanse coach op de schouder, en toen klonken het Cubaanse en het Amerikaanse volkslied. ,,Een historisch moment'', verzucht sportverslaggever Theo Reitsma die met een VIP-kaart om zijn nek in het stadion zit. De nieuwe voorzitter van de Nederlandse honkbalbond heeft zijn vakantie naar Cuba speciaal nu gepland om het schouwspel mee te mogen maken. ,,Dit is natuurlijk niet alleen sport, dit is puur politiek'', zegt Reitsma terwijl hij genietend de eerste hit van de Cubanen volgt. ,,Twee aartsvijanden die tegen elkaar spelen. Moet je voorstellen.''

Gemakkelijk was het allemaal niet. Twintig jaar geleden al probeerde Castro een Amerikaanse ploeg voor een `vriendschappelijke wedstrijd' naar Cuba te halen. Tien jaar geleden waren het de Orioles uit Baltimore die probeerden een wedstrijd te organiseren. ,,Maar zoals dat altijd weer gaat tussen ons'', zegt een Amerikaanse diplomaat in Havana, ,,steeds als het erop lijkt dat er iets verbetert ligt er weer eentje dwars.''

Dit keer waren het de ultra-rechtse Cubaanse bannelingen in Miami die dwars lagen. De nieuwe `honkbal-diplomatie' van de regering-Clinton bevalt hen totaal niet. Maar zij kregen uiteindelijk alleen voor elkaar dat één van de spelers van Orioles niet meeging, omdat hij bang was voor aanslagen op zijn familie in Miami.

Omgekeerd leek ook Castro niet al te gelukkig met de wedstrijd. In Havana groeit er de laatste tijd uit elke straatsteen wel een politieman. Duizenden extra agenten controleren de gangen van de bevolking. ,,Ook als je met krulspelden in je hoofd sigaretten gaat halen'', klaagt een vrouw die net een hele nacht in haar pyjama op het politiebureau heeft gezeten, omat zij haar papieren niet bij zich had.

De hoop op meer vrijheid die het bezoek van paus Johannes Paulus II vorig jaar met zich meebracht, is inmiddels radicaal de grond ingeboord. Er zijn nieuwe wetten tegen de criminaliteit, en vooral tegen de privé-markt aangenomen. `De misdadiger is de huurling van het imperialisme', donderen de Cubaanse leiders in de staatskrant Granma. `Wie misdaden begaat is de vijand.'

Daarnaast is er een nieuwe wet gekomen tegen dissidenten, onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten. Iedereen die informatie geeft die de `nationale onafhankelijkheid' of de `economie' van Cuba in gevaar brengt, mag tegenwoordig rekenen op straffen van drie tot vijftien jaar gevangenis. Eerder werden vier dissidenten veroordeeld tot vijf jaar, nadat ze een manifest hadden verspreid onder de titel `Het vaderland is iedereen'.

Deze nieuwe oprisping van het regime is niet het ideale klimaat om een zwerm neuzende journalisten uit het buitenland in te ontvangen. Waarnemers vertellen dat Cuba tijdens de onderhandelingen dan ook alles geprobeerd heeft om de wedstrijd te laten afketsen. De Amerikanen zouden echter op elke nieuwe eis van de Cubanen zijn ingegaan, zodat de schuld van een mislukking eenzijdig bij Cuba zou komen te liggen. Dat kon Castro niet laten gebeuren.

En zo stonden de Orioles uit Baltimore gisteren in vol ornaat op het veld. Langs de randen van het stadion geen reclame, maar stichtende teksten: `Socialistische Cubaanse Sport', zegt het billboard met een gestileerde honkballer erop. Zuchtend van teleurstelling ziet het publiek in het eerste uur hoe de stand 2-0 voor de niet-socialistische Amerikanen wordt. Maar als de geliefde Cubaanse slagman Omar Linares een homerun slaat, leven de gezichten op.

,,Venceremos'', we zullen winnen, parafraseert een verlegen vrouw de tekst van de Cubaanse revolutie die nog steeds overal te lezen valt. Ze zegt het met ongeloof in haar ogen, maar op dit moment ziet het er echt naar uit dat de Cubanen kunnen winnen. Zij hebben gelijk gemaakt, 2-2, en door het stadion gaat voorzichtig gejoel. Niet hard en uitzinnig zoals in andere landen. Maar netjes en gedisciplineerd. In het stadion zit immers het neusje van de socialistische Cubaanse zalm: modelarbeiders en partijleden.

,,Ik hoor tot de tien beste werknemers van mijn bedrijf'', vertelt een jongeman in een ruitjeshemd. ,,Daarom heb ik het kaartje gekregen.'' De vrouw verderop heeft haar kaartje voor de honkbalwedstrijd bemachtigd via de vrouwenorganisatie van de Communistische Partij. Anders dan anders werden er voor deze wedstrijd geen kaartjes verkocht. De 50.000 toeschouwers hadden gratis toegang, maar alleen degenen die een uitnodiging hadden van de politieke organisaties mochten er in.

Buiten het stadion leidde dit al dagen tot heftig gemopper. In de Cubaanse pers is de wedstrijd de hele week doodgezwegen. Maar de komst van de Yankees was wel het gesprek op straat. ,,Ik had er al mijn voedselbonnen voor gegeven om naar die wedstrijd te mogen'', zei een oude man in zijn schommelstoel de nacht voor de wedstrijd. Vanaf zijn geschilferde veranda keek hij naar jongetjes op straat. Met een stuk hout uit de vloer speelden ze honkbal. ,,Ik had er een maand voor in de rij willen staan, en nog een week in het stadion in de zon zitten branden'', zegt de man. Eindelijk, na veertig jaar, komt er een club die echt wat voorstelt. ,,En dan mogen gewone Cubanen er niet in.''

Gisteravond, na de wedstrijd, zat hij er weer in zijn schommelstoel. Samen met de hele buurt had die naar de wedstrijd op de televisie gekeken. ,,We kunnen trots op onszelf zijn'', zegt hij tevreden. Naast zijn stoel ligt de Granma, de partijkrant van Cuba. Op de voorpagina een kop over `de brute imperialistische yankee-agressie' tegen het `onschuldige Servische volk'.